Geboren: 06-09-1930, Hoogkarspel

Leven en werk

Durk van der Ploeg werd geboren in Hoogkarspel, waar zijn ouders in de crisisjaren waren gaan wonen. Toen hij drie jaar was, gingen ze terug naar Fryslân en vestigden zich in Aalzum (Ealsum), vlak boven Dokkum.

Daar groeide hij op, in de streek die in zijn literaire werk later vaak een rol zou spelen. Van der Ploeg volgde een opleiding tot typograaf. Hij begon zijn loopbaan bij Schaafsma en Brouwer in Dokkum en kwam later in Leeuwarden bij het Friesch Dagblad. In februari 1964 stapte hij over naar het zelfstandige friestalige weekblad Frysk en Frij waar hij de functie kreeg van eindredacteur en tegelijk opmaker. In oktober 1966 viel (voorlopig) het doek voor Frysk en Frij vanwege een tekort aan abonnees. Vakman Van der Ploeg maakte een soepele overstap naar de Leeuwarder Courant. Daar werkte hij als opmaakredacteur tot hij in 1990 met de vut ging.

in de jaren zestig was Van der Ploeg actief als redacteur van meer dan één tijdschrift. Naast zijn eindredacteurschap voor Frysk en Frij maakte hij deel uit van de redactie van het literaire tijdschrift De Tsjerne en was hij verbonden aan het periodiek van het Kristlik Frysk Selskip De Stim fan Fryslân. Van der Ploeg was ook van 1984 tot 1990 voorzitter van 'It Skriuwersboun', de Friese schrijversbond, en daarnaast lange tijd jurylid bij de Kristlik Fryske Folksbiblioteek, waar hij nieuw binnengekomen manuscripten beoordeelde. Verder zette hij zich in op cultureel en kerkelijk gebied in de plaatsen waar hij woonde. Het geheel geeft de indruk van een man met een druk maatschappelijk leven. Dat verschilt van het beeld dat de auteur van zichzelf schetste in een vraaggesprek met Jan Jongsma (Actief, 25 maart 1994), waarin hij zei: 'Eins bin 'k in ienselvich wêzen: de skriuwer dy't mei himsels praat.' (Eigenlijk ben ik een eenzelvig wezen: de schrijver die met zichzelf praat).

Poëzie
Van der Ploeg debuteerde in 1955 met gedichten in het Nederlands in het blad Ontmoeting. Zijn eerste Friese verzen volgden een jaar later in De Tsjerne. Zijn debuut in boekvorm was Lok op eachlingte (1959). In de poëzie uit zijn begintijd sloot Van der Ploeg zich met zijn thematiek van 'dood, liefde, schuld, boete, religie' aan bij Friese dichters als Freark Dam, Anne Wadman en Marten Sikkema, maar hij gebruikte meteen het vrije vers. Modern was hij in zijn gebruik van archaïsmen en vaktermen, de laatste vooral uit de natuurwetenschappen. Daarin is de invloed zichtbaar van de door hem bewonderde Gerrit Achterberg. In de periode tot eind jaren zeventig verscheen er om de paar jaar een bundel. De nederlandstalige bundel De opstanding. Een gedicht was voorlopig de laatste. De poëzie daarin, gewijd aan het overlijden van zijn moeder, brengt verschillende motieven uit Van der Ploeg's werk bij elkaar: het terpenlandschap, de gerichtheid op dood en ontbinding, de moeder als de oorsprong van het leven en degene die haar religieuze beleving doorgeeft aan haar kinderen. Door hun eerlijkheid en sensitiviteit worden de gedichten in deze bundel gerekend tot de mooiste die hij heeft geschreven.

Na 1979 concentreerde hij zich op het schrijven van romans en verhalen. In de serie 'Friesland in prent, poëzie en proza' verzorgde hij samen met kunstenares Beppie Gielkens de bijdrage over Dantumadiel (1995), met één lang gedicht van zijn hand. Pas in 2003 volgde er weer een poëziebundel, Troch kadastrale fjilden. De gedichten hebben het land boven Dokkum als decor. Aan de ene kant de zee, aan de andere kant de 'kadastrale velden' waar de mensen wonen met wie de dichter zich zo verbonden voelt. Abe de Vries prees in zijn bespreking van de bundel (Farsk-2003) de opbouw, het monumentale karakter en de centrale matafoor van [het lot van] de landmeter voor een stuk Fries sociaal en cultureel verleden. Over de taal van de dichter zegt hij dat zijn taalbeheersing geweldig is en hij veel registers van het Friese taalorgel weet te bespelen. Een punt van kritiek is dat de prozaschrijver Van der Ploeg de dichter wel eens in de weg zit, hij is zo nu en dan te veel verteller en te weinig dichter.

Fictioneel proza
Van der Ploeg's eerste korte verhalen verschenen al eind jaren veertig in het Friesch Dagblad, vanaf het midden van de jaren vijftig in De Tsjerne. Zijn prozadebuut was de roman In man en in minske uit 1968. Het is het trieste en macabere verhaal van de gevoelige armoedzaaier Jan Monsma die door zijn feeks van een vrouw zo wordt gemangeld dat hij geen andere uitweg ziet dan haar te doden. Het boek werd ambivalent ontvangen: de karakters goed neergezet, het idioom rijk, maar het verhaal te breed uitgesponnen en de setting 'naturalistisch' en daarmee passé.
In de daarop volgende jaren liet Van der Ploeg zich kennen als een productief schrijver. Tot het midden van de jaren tachtig verschenen er nog vier Friestalige titels en een Nederlandse roman, Een vers graf, in 1974 bij De Bezige Bij. De roman gaat over een kwetsbare man, Ay, die op zichzelf leeft en geobsedeerd wordt door dood en vergaan, gekweld door pijnlijke jeugdherinneringen.

De zevende roman, De jacht uit 1988, markeert de doorbraak naar een groter lezerspubliek. Na zijn pensionering in 1990 ontwikkelde Van der Ploeg zich tot de schrijver met de hoogste productiviteit in de Friese letteren. Vanaf de novelle Bertegrûn in 1993 verscheen er nagenoeg ieder jaar één of zelfs meer dan een titel. Hij kon deze hoge productiviteit bereiken door gedisciplineerd elke dag acht uur te schrijven. Voor zichzelf zag hij het als een uitdaging elke keer met iets nieuws te komen, een andere structuur, een ander vertelperspectief of andersoortig personages en verhalen. De romans zijn gedeeltelijk gebaseerd op manuscripten waaraan hij al veel eerder had gewerkt maar die hij pas later definitief vorm kon geven.

Overig proza
De lijst met Van der Ploeg's publicaties in tijdschriften is lang. In 1997 won hij met zijn essay 'Fryske literatuer yn swier waar' ('Onweer boven de Friese literatuur') de essaywedstrijd van de Provincie Fryslân, uitgeschreven bij het verschijnen van de Letterennota 1997-2000. Het essay is een pleidooi voor een bezield en gefocust schrijverschap, desnoods gerealiseerd, bij wijze van spreken, in gevangenschap op water en brood. Van der Ploeg geeft blijk geen fiducie te hebben in maatregelen die het zogeheten literaire klimaat bevorderen. Het essay laat een wanhopige worsteling zien met de grote hoeveelheid structurele beperkingen van een literatuur in een minderheidstaal. 'Ik ben er zeker van dat mijn redeneringen hier en daar zo inconsequent zijn als de pest, simpelweg omdat ik aan de ene kant een ideaal nastreef en aan de andere kant zoveel ruimtelijke inperking en weerstand moet incalculeren die een brede ontplooiing [van de Friese literatuur] in de weg staan.' Doeke Sijens kenschetste het stuk in Trotwaer (1998, p. 1) als een jeremiade waar jongere schrijvers als hij niets mee konden.

Aan het boek met liedteksten van Fedde Schurer Ik bin jim sjonger (herdenkingsjaar 1998) leverde Van der Ploeg twee bijdragen: het essay 'Fedde Schurer, dichter en dieder' en samen met Hans Algra het hoofdstuk 'Komponisten oer it toansetten fan Schurer syn wurk.'

Van der Ploeg verzorgde van 1971 tot eind 1997 geregeld literaire kritieken voor de Leeuwarder Courant, zowel over Friese literatuur als over literatuur in andere talen. Hij stond bekend als kritisch. Toen hij ter gelegenheid van zijn zestigste verjaardig werd geïnterviewd door Douwe Kootstra en bekende dat hij als schrijver nog steeds bang was voor zijn critici, merkt de verslaggever van de LC op (vert.): 'Eén ding heeft Van der Ploeg voor: hij hoeft niet bang te zijn dat hij wordt aangepakt door de meest kritische recensent van dit moment, want dat is hijzelf.' (LC 24-09-1990)

Thema's en receptie
Van der Ploeg's hoofdfiguren zijn vaak mensen die het leven bijna of helemaal niet aankunnen. Ze zoeken het geluk, de vrijheid en de vervulling, maar meer dan eens worden ze gedreven naar afsterven en ondergang, omdat ze de last van hun leven - de pijn, het trauma, de angst, de schuld - niet kunnen dragen. Het zijn meest eenlingen, doorgaans mannen, die leven in de marge van de maatschappij. Vanaf De jacht (1988) brengt de auteur meer dramatisch conflict in zijn stof en wordt de sociale en historische context breder uitgebeeld. Zijn hoofdfiguren worden gevarieerder en sterker, maar het  blijven tragische helden. Jabik Veenbaas stelt dat Van der Ploeg een boeiende verteller is maar dat hij toch eerder als een schrijver van psychologische romans kan worden gekarakteriseerd, omdat hij op een intense en beeldende manier allerhande facetten van zijn karakters laat zien.

De receptie van Van der Ploeg's prozawerk varieert nogal, maar dan met name waar het het vroegere werk betreft. Romans uit de beginperiode met een wat lichtere toon en met humoristische en satirische elementen, zoals De Snoekebek, De Amerikaen en De dei lûkt nei de jûn geven meer een bedachte indruk en zijn daardoor misschien minder overtuigend. Wanneer met De jacht het vertellende en dramatische karakter van het werk groter wordt, neemt de waardering toe. Dat geldt ook voor de beeldende schildering van de historische context en het rijke taalgebruik van de auteur, al zijn er critici die zijn beschrijvingen te gedetailleerd vinden en ook dat de plotafwikkeling niet altijd overtuigt. Van der Ploeg is verder een meester in het oproepen van de sfeer van het eenzame landschap, waarin de bewoners zich een bestaan bijeen scharrelen en ploeteren. Het wekt geen verbazing dat de winter in een aantal van zijn romans het bepalende seizoen is waarin het verhaal zich afspeelt.

Twee novelles worden in het algemeen hoog gewaardeerd: De winter komt en Bertegrûn. De eerste iseen compact verhaal over een man die alle moeite doet om de ongelukkige dood van zijn vrouw, waaraan hij slechts indirekt schuldig is, voor anderen verborgen te houden. In Bertegrûn zoekt de hoofdpersoon, een man van drieëndertig, steeds meer tevergeefs om houvast in zijn leven. Het verhaal is helemaal in de jij-vorm geschreven, wat een beklemmend effect heeft op de lezer en hem dwingend meesleept in de gedachtenwereld van de man.

In de zogeheten 'Dongeradiele-syklus' die bestaat uit De Jacht, It wrede foarjier, Reis nei de Kalkman en It lekken oer de spegel vormt de Tweede Wereldoorlog en de verwerking daarvan het centrale thema. Opmerkelijk is dat in de 'Kalkman' de hoofdfiguur een Duitser is die in de oorlog in Nes(D) was gelegerd en die er later terugkeert als bewoner van een tweede huis. De romans spelen alle vier in Dongeradeel. Van der Ploeg in de LC (10-3-1995, vert.): 'Ik was negen toe de oorlog uitbrak. Omdat die oorlog mijn karakter en mentaliteit vijf jaar ongunstig heeft beïnvloed, is er voor mij in feite nooit een einde aan gekomen. Leven met die oorlog werd bijna onbewust een belangrijk onderdeel van mijn opvoeding.'

Skepsels fan God , It wurk fan 'e duvel, Foarby it Boarkumer fjoer en De Iishilligen zijn brede en beeldend vertelde romans op basis van historische gegevens en spelen in het noordoosten van Fryslân. Foarby it Boarkumer fjoer vertelt het verhaal van de ondergang van de vissersvloot van Peasens-Moddergat in 1883 en tegelijk de tragische ambitie van hoofdfiguur Botte Vaderloos om in de visserij een bestaan op te bouwen. Dit boek is Van der Ploeg's bestverkochte roman (5 drukken, ca. 5000 ex., omgerekend naar aantallen in Nederlandse verhoudingen komt dat neer op ca. 250.000 exemplaren!).
Jos Thie, van 1993-2003 artistiek directeur van het Friestalig toneelgezelschap Tryater: 'Een boek dat als een film aan je voorbijtrekt', zie >>>pdf

It himelsk oerwurk is een 'vie romancée' en volgt uitgebreid het leven van amateur-astronoom en telescoopbouwer Arjen Roelofs rond 1800.

In In beferzen mar, een roman die speelt bij het Lauwersmeer in de tijd van nu, is weer een eenling de hoofdfiguur, die met zijn verleden wordt geconfronteerd als zijn acht jaar jongere broer plotseling opduikt en wil weten waarom hij als baby door zijn vader is afgestaan aan een pleeggezin.

De meest recente grote roman, De kjeld fan it noarden, beschrijft de lotgevallen van de zestienjarige Amelander Alwin, die aanmonstert op de walvisvaarder Harlingen die in 1826 naar Groenland vertrekt en daar vast komt te zitten in het ijs. De bemanning onderneemt in kleine sloepen de barre terugtocht. De figuur van Alwin is fictief, het verhaal zelf historisch.

Voor meer informatie over Van der Ploeg's werk, volgt hierna een overizcht van gepubliceerde titels met links naar de afzonderlijke boekprofielen en een paar secundaire artikelen.

Lijst van bekendste werk

Poëzie
1959: Lok op eachlingte
1964: It Libertynsk gehucht
1967: Hwerom is de himel swart
1973: Deaden skrieme net
1975: Tremor Terrae (een bundel met Nederlands en Fries werk)
1979: De opstanding. Een gedicht
2003: Troch kadastrale fjilden

Romans
1968: In man en in minske ('Een man en een vrouwspersoon')
1972: De snoekebek
1974: Een vers graf
1976: It libbet mar amper
1977: De Amerikaen
1984: De dei lûkt nei de jûn
1988: De Jacht (2e dr. 1996)
1994: It wrede foarjier (3e dr. 2004[Merkel-rige])
1995: It lekken oer de spegel
1995: Reis nei de Kalkman
1996: In bit yn 't iis
1998: Skepsels fan God
2000: It wurk fan 'e duvel (2e dr. 2006)
2002: Foarby it Boarkumer fjoer (2e, 3e dr. 2003; 4e dr. 2004; 5e dr. 2008)
2004: Sykjend nei it lêste hûs
2005: De Iishilligen (2e dr. 2005)
2006: De hûnsdagen
2007: It himelsk oerwurk
2009: In beferzen mar
2010: De kjeld fan it noarden
2011: De oarloch fan Durk van der Ploeg (Werútjefte fan It wrede foarjier, Reis nei de Kalkman en It lekken oer de spegel in een band)
2012: De Belvedêre
2015: Oer Atlantyske djipten
2016:De lêste floed

Novellen
1984: De winter komt
1993: Bertegrûn
2003: De sniewinter (Friese boekenweekgeschenk)

Verhalenbundels
1996: Gjin plak op ierde
2001: Under de seespegel

Prijzen
Rely Jorritsmapriis
1957: vers Apel en hout
1958: vers Ut it hûs fan de sliep
1960: vers Profeet
1962: *verhaal Prolooch fan de iensumheid
1965: verhaal It Paradys
1967: *verhaal It ôfskie
1968: vers Wy helje de ein wol
1969: *verhaal In plak om to stjerren
1969: vers Utfanhûs
1970: vers doe't ik njoggen wie
1971: *verhaal In dierber bern
1971: vers De buorren by nacht
1972: vers Jouns
1973: vers Foto
1976: verhaal De soan
1976: vers It keammerke
1977: verhaal de dea komt ús oer 't mad
1977: vers Mei frede litte
1984: *verhaal Dowen
1986: vers Foarfloed
1987: verhaal Kâlde dagen I
(* verhaal opgenomen in de bundel Gjin plak op ierde )

1997: Provinciale Essayprijs voor het essay 'Fryske literatuer yn swier waar', in It obstakel fan 'e ferbylding

2011: Gysbert Japicxpriis voor alle proaza

Meer informatie over het werk van Durk van der Ploeg

Vraaggesprek met GerbrIch van der Meer, FD 16-09-2000
Vraaggesprek met Gerbrich van der Meer, FD 04-09-2010
Vraaggesprek met Sietse de Vries, LC 03-09-2010

Friese literatuursite van Jelle van der Meulen.

Dick Eisma, 'De resepsje fan Durk van der Ploeg syn Fryske romans en novellen', yn Dreame fan in oare wrâld. Jierdeiútjefte foar Durk van der Ploeg, Friese Pers Boekerij Ljouwert 2005. De bondel befettet fierder bydragen fan in grut ferskaat oan auteurs en in oersjoch fan de wichtichste eardere besprekken.

Jabik Veenbaas, 'Durk van der Ploeg, of de fitaliteit fan de psychologyske roman', yn De lêzer is in duvel, Bornmeer, Ljouwert 2003.

© Tresoar, 11-10-2011