Geboren: 18-05-1953, Harlingen

Leven en werk

Margryt Poortstra werd geboren op 18 mei 1953 in Harlingen. Ze groeide op in Arum en Witmarsum. Nadat ze geslaagd was voor haar mulodiploma haalde ze op havo-niveau nog een aantal certificaten. Ze werkte in Ermelo in de zwakzinnigenzorg en later als secretaresse bij de RIAGG. Ze heeft een dochter en een zoon en woont met haar man in Zeewolde.

Vroeg proza
Margryt Poortstra debuteerde op 22-jarige leeftijd bij de KFFB met de roman Hillige Minke. Ze was indirect door diezelfde boekenclub geïnspireerd om te gaan schrijven toen ze, als meisje van veertien, de uitreiking van de romanprijsvraag van de KFFB bijwoonde. De manuscripten voor die prijsvraag konden anoniem worden ingezonden, voor Margryt een reden om mee te doen. In 1975 kreeg ze de debutantenprijs voor het manuscript van Hillige Minke. Het boek verscheen nog in datzelfde jaar. In 1977 gaf de KFFB twee boeken van haar uit: de roman It stille wetter en het kinderboek It lân efter de wolken.

Poëzie
Na het uitkomen van haar vroege prozawerk schreef Margryt Poortstra een tijdlang geen fictie. Pas in 1987 verscheen nieuw werk: de dichtbundel Krúswetter, uitgegeven bij de KU (Koperative Utjouwerij). Ze was de sfeer van orthodoxie die toen bij de KFFB heerste ontgroeid. In een interview met Jitske Kingma stelde ze dat ze daarom nog niet negatief over de KFFB dacht: ‘Ik ben zelf veranderd, ik pas niet meer in die sfeer. Echter, als ik de opstap bij de KFFB niet had gehad, was ik er misschien nooit in gekomen’ [1].

Verder met proza en poëzie
Het kinderboek Tolve huzen op it dak (1989) verscheen bij de Afûk. Voor het manuscript van dit boek kreeg ze in 1989 de Afûkjubileumpriis. In datzelfde jaar verscheen ook weer een roman: Fragmint. In 1991 schreef ze op verzoek van de ‘Stichting It Fryske Boek’ het Boekenweekgeschenk Nachtljocht. Samen met Eppie Dam publiceerde ze in 1990 de dichtbundel Boulân. De bundel bevat gedichten over het leven in de IJsselmeerpolders, waar beide dichters toen woonden. In de twee decennia daarna ontwikkelde Margryt Poortstra zich tot een productief schrijfster: vijf romans, drie verhalenbundels en vier bundels met poëzie. Twee van haar romans vertaalde ze zelf naar het Nederlands.

Geestelijke liederen
Margryt Poortstra schreef ook geestelijke liederen. Voor kinderen werkte ze mee aan het tweede deel van Wat in gelok (1990), samen met Eppie Dam en Folkert Verbeek. Ze schreef teksten over Bijbelse onderwerpen voor oratoria, musicals en koorrepertoire, ook vertaalde ze religieuze liederen voor de bundel Tuskentiden (2006) en het nieuwe Fryske Lieteboek (2015).

Thematiek
Hoewel Margryt Poortstra veel prozatitels op haar naam heeft, schrijft ze het liefst poëzie. Ze vindt inspiratie in het lezen van gedichten van anderen. Haar onderwerpen zoekt ze dichtbij, in de omgang tussen mensen, in de relatie tussen man en vrouw, en die tussen ouders en kinderen. Het aan elkaar verbonden zijn en de wezenlijke eenzaamheid van het individu beschrijft ze op invoelende wijze. Maar ook het wonen in een plaats als Zeewolde is onderwerp in haar werk. Vrouwen zijn vaak de centrale figuren in het literaire werk van Margryt Poortstra. Dat kunnen vrouwen zijn die vandaag de dag leven, maar ook Bijbelse vrouwen geven haar stof tot schrijven. Wat haar in die vrouwenlevens fascineert is de combinatie van kracht en twijfel, het zich staande houden in een niet zelf gekozen bestaan. In een interview met Eppie Dam omschreef ze zichzelf als een feministisch schrijfster, al heeft ze er geen behoefte aan om de barricaden op te gaan [2]. Ze vindt zichzelf geen vertegenwoordiger van ‘vrouwenliteratuur’, ze schrijft over vrouwen omdat ze zich daar iets bij kan voorstellen. Ze heeft zichzelf niet tot doel gesteld om alleen maar over vrouwen te schrijven. Jelle Krol over haar werk: ‘Margryt Poortstra laat in haar werk een eigen stem horen, haar toon is fijnzinnig en meelevend. De knappe psychologische tekening van haar hoofdpersonen, de bondige, subtiele manier van vertellen, het natuurlijk inbedden van symbolen en verrassende metaforen maken Poortstra een van Frieslands belangrijkste schrijfsters van vandaag de dag’ [3].

Receptie van prozadebuut
Margryt Poortstra’s talent werd meteen herkend in haar debuut Hillige Minke, al was er ook kritiek. Het boek gaat over een vrouw die jong overlijdt. Haar man en zwakzinnige zoon blijven achter. Tiny Mulder stelde in het Friesch Dagblad vast dat Hillige Minke een interessante opbouw heeft, ‘maar niet zo gemakkelijk voor de lezer’ [4]. Volgens een bespreking in het Dagblad van het Noorden is het nog ‘een onrijp werkstuk’, maar daarnaast wordt ook vastgesteld dat ze ‘bewonderenswaardig goed, met een goede woordkeus, sfeervol en indringend kan schrijven’ [5]. Toch keek de schrijfster zelf in een interview met een dubbel gevoel terug op haar eerste roman: ‘Ik was erg in mensen geïnteresseerd, maar ik kon het niet relativeren. Het was allemaal zo melodramatisch’ [6].

Verdere receptie
In 1987 debuteerde Margryt Poortstra als dichter met de bundel Krúswetter. Eppie Dam omschreef de titel als het kruispunt tussen twee hoofdstromen: overwinnen en verliezen. Hij kwalificeerde de bundel als ‘een sterk poëziedebuut’. Verder stelde hij dat met de bundel niet van ‘vrouwenliteratuur’ gesproken kon worden, al lag het perspectief aan de kant van de vrouw, vanwege de universele thematiek in Poortstra’s werk [7]. Dat aspect werd ook gesignaleerd door Klaas Dantuma in zijn bespreking van haar eerste kinderboek Tolve huzen op it dak: ‘Het zijn geen typisch Friese kinderen of typisch Friese situaties die worden beschreven’ [8]. Jan Wijbenga noemde Krúswetter in de Leeuwarder Courant ‘een voortreffelijk debuut’, met complimenten voor haar ‘omgang met taal’ [9]. Ook over de verhalenbundel Beheind gebiet was hij lovend: ‘Een van de beste Friese verhalenbundels van de laatste jaren’ [10].

In Adres ûnbekend (1993) komt weer de van Margryt Poortstra intussen bekende thematiek naar voren: de verhoudingen tussen mensen. In dit geval ging het om de vriendschap tussen Anke en Lidewij. Poortstra gaf de vriendschap weer in brieven en beelden. Henk van der Veer stelde vast dat dit werk goed aansluit bij haar vroegere werk. Daarnaast vond hij dat het literaire werk van Poortstra met deze roman ‘volwassener’ was geworden, met veel aandacht voor de sfeertekening van de jaren zeventig en tachtig [11]. Dat oog voor detail werd onderschreven door Pieter Terpstra in De Strikel. Naast de bijzondere vorm zag hij kwaliteit in de niet-traditionele manier om een vriendschap tussen twee vrouwen te beschrijven [12]. Babs Gezelle Meerburg schreef in Trotwaer ook over die aspecten. Zij vond het vooral jammer dat de schrijfster de essentie van een dergelijke verhouding niet genoeg uitdiepte: ‘De gewone dagelijkse zaken worden te gewoon beschreven’ [13]. Geertrui Visser deelde die kritiek in Hjir, terwijl ze goed was te spreken over de opzet [14].

Laatste drie poëziebundels
In 1994 bracht Poortstra weer een bundel gedichten uit: Ferrifeljend glês. Tjerk Veenstra zag binnen de beperking van de vorm (korte regels) die Poortstra gekozen had een dichter die veel te zeggen had ‘en dat doet ze goed’. Tegelijkertijd stelde hij vast dat door die vorm de gedichten hem niet mee wisten te nemen, er mocht om hem wel ‘meer taal’ gebruikt worden [15]. Henk van der Veer noemde in het Sneeker Nieuwsblad de bundel ‘relatiepoëzie van de bovenste plank’ [16]. Albertina Soepboer stelde in Trotwaer dat Ferrifeljend glês heel wat interessante verzen bevatte, waarbij ze uitvoerig inging op het vrouwelijk perspectief en wat daaronder verstaan moest worden: ‘De tijden van de alleen maar sjarmante, lieve, aardige, speelse en gevoelige vrouwen zijn echt wel voorbij.’ [17].

De reacties op de bundel Eva (1997) liepen nogal uiteen. Harmen Wind had veel waardering voor het zeer beeldende taalgebruik. Poortstra gaf volgens hem gestalte aan haar vrouwelijkheid in een analyse en inlevingsvermogen met ‘een uitzonderlijk indringend geluid’. De uitwerking en de ontwikkeling naar een climax vond hij echter ‘niet zo duidelijk’ [18]. Anneke Reitsma stelde in Trotwaer dat Eva ‘een bundel van wisselende kwaliteit’ was ‘waarin een op zichzelf interessant gedachtegoed vaak te weinig vormvast wordt neergezet’ [19]. Tjitte Piebenga was echter goed te spreken over Eva, die hij uitzonderlijk van kwaliteit noemde, getuigend van ‘schrijftechnisch meesterschap’ [20].

De bundel Nomade (2006) gaat over een moeder die onderweg is, meer in de tijd als in de ruimte. Ze ervaart het verlies en afscheid van kinderen en is zich bewust van haar sterfelijkheid. De bundel kreeg van Harmen Wind een onthaal met twee kanten: hij prees de krachtige, paradoxale regels, de soberheid en de interessante thematiek, maar hij vond sommige gedichten te praterig of te cryptisch [21].

Proza van de laatste vijftien jaar
De roman De loads (1999) draait om Dynke en Abel, dirigente en pianist van een zangkoor, die na een repetitie raken opgesloten in een loods. Om de tijd door te komen, vertelt Dynke verhalen over haar familie. Ook bloeit er iets op tussen haar en Abel. Elly Veltman werd vooral getroffen door de manier waarop de grote en de kleine wereld van de hoofdpersonen met elkaar verbonden werden. Ze kwam dan ook tot de conclusie dat De loads ‘een klein juweeltje in de Friese literatuur’ was [22]. Joop Boomsma stelde in zijn bespreking dat Margryt Poortstra met deze roman opnieuw had bewezen dat ze tot de top van de Friese literatuur hoort [23]. Jabik Veenbaas vond dat De loads qua opzet en uitwerking alles in zich had de lezer bij de keel te grijpen, maar dat gebeurde toch niet omdat Poortstra niet dicht genoeg bij de verhouding tussen beide hoofdpersonen bleef. Wel waardeerde hij het talent om de psychologie van de personages goed uit te tekenen [24].

Een stuk beter was Veenbaas te spreken over Kâldfjoer (2002). Hike is lesbienne. Als haar moeder een beroerte krijgt, gaat Hike de confrontatie met haar verleden aan, wat wordt uitgebeeld in het bouwen van een poppenhuis, een klein model van de winkel van haar ouders die door brand werd verwoest. Veenbaas vond dat de spanning beter werd opgebouwd, ook over de tekening van de personages was hij enthousiast [25]. Tjerk Veenstra dacht er net zo over: ‘Een gave roman’ [26].

De roman Suster (2004) draait om Willemijn, de zuster van Vincent van Gogh en psychiatrisch patiënt. Ze werd verpleegd door Aukje, de andere hoofdpersoon van het boek. Jabik Veenbaas vond dit ‘een mooie, intelligente roman’. De twee vrouwen werden volgens hem goed tot leven gebracht, het boek zag hij als een ‘hecht en subtiel compositorisch geheel’ [27].

In Minskebern (2008) beschrijft Margryt Poortstra de neergang van een moeder met Alzheimer vanuit meerdere perspectieven. Jetske Bilker vond niet alle perspectieven even overtuigend. Vooral dat van de net geboren Daan was volgens haar niet aannemelijk, gezien zijn leeftijd. Ondanks de wat vrijblijvende structuur vond ze het een ‘mooi en ontroerend boek’ [28].

Met Kofje ferkeard kwam de schrijfster in 2011 weer met een verhalenbundel, met volgens Doeke Sijens ‘21 keiharde verhalen, verpakt in huiselijke aangelegenheden of mooie natuurimpressies’ [29]. Hij las ‘frisse verhalen, met elke keer weer andere, sympathieke figuren’, al waren er ook een paar mindere gelukte vertellingen bij. Dit boek stond op de longlist van de Gysbert Japicxprijs 2015.

Bronnen voor dit stuk
[1] Friesch Dagblad, 22-09-1987
[2] Frysk en Frij, 13-02-1988
[3] Literatuur uit Friesland / Literatuer út Fryslân / Literature from Friesland, 2001
[4] Friesch Dagblad, 17-01-1976
[5] Dagblad van het Noorden, 13-02-1976
[6] Friesch Dagblad, 22-09-1987
[7] Frysk en Frij, 07-11-1987
[8] Frysk en Frij, 14-10-1989
[9] Leeuwarder Courant, 12-04-1987
[10] Leeuwarder Courant, 10-05-1991 (deel 1 en 2)
[11] Sneeker Nieuwsblad, 15-06-1994
[12] De Strikel, 1993 nummer 6
[13] Trotwaer, 1994 nummer 6
[14] Hjir, 1994 nummer 1
[15] Friesch Dagblad, 23-04-1994
[16] Sneeker Nieuwsblad, 26-05-1994
[17] Trotwaer, 1994 nummer 3
[18] Frysk en Frij, december 1997
[19] Trotwaer, 1998 nummer 1
[20] Leeuwarder Courant, 05-12-1997
[21] Leeuwarder Courant 01-09-2006
[22] Programma De Koperen Tún, Elly Veltman
[23] Trotwaer 2, 2000 nummer 2
[24] Leeuwarder Courant, 22-10-1999
[25] Leeuwarder Courant, 15-11-2002
[26] Friesch Dagblad, 23-04-2003
[27] Leeuwarder Courant, 19-03-2008
[28] Leeuwarder Courant, 24-10-2008
[29] Leeuwarder Courant, 25-11-2011

Bibliografie

Romans
1975: Hillige Minke
1977: It stille wetter
1989: Fragmint
1993: Adres ûnbekend
1999: De loads
2002: Kâldfjoer
2003: Koudvuur
2004: Suster
2004: Zuster
2008: Minskebern (2e druk 2014)

Verhalenbundels
1991: Beheind gebied
1998: In soarte fan swijen
2011: Kofje ferkeard

Novelle
1991: Nachtljocht (Boekenweekgeschenk)

Poëzie
1987: Krúswetter
1990: Boulân (met Eppie Dam)
1991: Beheind gebiet
1994: Ferrifeljend glês
1997: Eva
2006: Nomade

Kinderboeken
1977: It lân efter de wolken
1989: Tolve huzen op it dak

Prijzen
Rely Jorritsmaprijzen
1994: Goudene knoopkes (verhaal)
1989: Fan nei de oarloch (verhaal)
1986: Kearpunt (gedicht)
1985: Skilderij (gedicht)

Andere prijzen
1989: Afûk-jubileumpriis voor manuscript Tolve huzen op it dak
2013: Bernard Smildepriis (voor een nieuw pinksterlied)

Nominaties
2012: Rink van der Veldepriis, Kofje ferkeard
2015: Longlist Gysbert Japicxpriis, Kofje ferkeard

Tresoar, 04-09-2008 / 18-05-2016