Geboren: 29-03-1868, Cornwerd
Overleden: 26-06-1963, Leeuwarden

Leven en werk

Obe Postma werd op 29 maart 1868 te Cornwerd geboren als oudste van zeven kinderen van Pieter Obes Postma en Sijbrigje Tjeerds Rinia; een van de kinderen stierf jong.

Zijn vader was veehouder en had interesse in geschiedenis en poëzie. Na de lagere school in Cornwerd volgde Obe een aantal jaren mulo-onderwijs in Makkum, daarna kwam hij in september 1881 in de tweede klas van het Sneker gymnasium, waar hij in de vijfde klas voor de bètakant koos. Na zijn eindexamen in 1886 studeerde hij wis- en natuurkunde aan de Universiteit van Amsterdam. In 1889 haalde hij cum laude zijn kandidaatsexamen; in 1892 volgde het doctoraal. Hij kreeg tijdelijke benoemingen aan scholen in Tiel en Tilburg. In 1894 werd hij docent ‘wiskunde en mechanica’ en ‘kosmografie’ aan de Rijks-hbs in Groningen. Dat bleef zijn werk tot zijn pensioen in 1933.
Postma was niet getrouwd. Hij woonde tot 1904 op zichzelf in verschillende kosthuizen. Daarna zette hij met Liezabeth, een van zijn zussen, een eigen huishouding op. Hij was een gewaardeerde docent en deed actief mee aan het schoolleven. In die tijd was de lesomvang voor docenten in het middelbaar onderwijs aanzienlijk minder dan tegenwoordig, wat hem ruimte gaf voor zijn doorgaand wetenschappelijk werk. Na zijn pensioen verhuisden de Postma’s naar Leeuwarden, waar ze woonden in de Engelsestraat. Postma stierf op 95 jarige leeftijd. Hij werd begraven in zijn geboorteplaats. Op de zerk staat geschreven ‘Dichter fan it Fryske lân’.

Natuurwetenschapper en historicus
Postma promoveerde in 1895 bij de latere Nobelprijswinnaar J.D. van der Waals op het proefschrift Iets over uitstraling en opslorping. Hij wierp zich naast zijn leraarschap op de studie van de natuurkunde en had onder andere contact met H.A. Lorentz, in die tijd een centrale figuur in het internationaal netwerk van natuurkundigen. Zijn artikelen verschenen in de ‘Verslagen en mededelingen’ van de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen. Postma maakte van alles wat hij bestudeerde en schreef uittreksels en aantekeningen in schriften, achthonderd in totaal. Deze worden bewaard in het archief van Tresoar. Ze geven een goed beeld van Postma's geestelijke arbeid en ontwikkeling door de tijd heen en laten ook de filosofische achtergrond van zijn dichtwerk zien.

In 1912 begon zijn interesse in historische onderwerpen groter te worden en vanaf 1918 liet hij het natuurwetenschappelijk bedrijf voor wat het was. Hij richtte zijn wetenschappelijke activiteit nu helemaal op de geschiedenis van het Friese land en zijn bewoners, in het bijzonder op de landbouwgeschiedenis. Dat resulteerde onder andere in 1934 in De Friesche kleihoeve. Na zijn pensioen kon hij zich nog meer toeleggen op geschiedenisonderzoek. Op hoge leeftijd werkte hij nog mee aan de Geschiedenis van de Friese Landbouw (1952), waarvoor hem (en J.J. Spahr van der Hoek) in 1954 de Dr. Joost Halbertsmapriis van de Provincie Fryslân werd toegekend. Voor en na publiceerde hij artikelen over de boerderij, het boerenleven en het Friese dorp, zoals hij eerder ook over wis- en natuurkundige onderwerpen had geschreven. Tot na zijn negentigste kwam hij nog in de Kanselarij aan de Turfmarkt in Leeuwarden, waar het archief was gevestigd; hij publiceerde tot zijn dood. Zijn publicaties worden nog steeds geciteerd. Belangrijker dan zijn wetenschappelijk werk is echter zijn Fries dichterschap.

Dichter
Liefde voor de poëzie had Postma al sinds zijn gymnasiumtijd in Sneek, maar hij ging pas dichten in 1900. In 1902 debuteerde hij in Forjit my net, het tijdschrift van het ‘Selskip foar Fryske taal- en skriftekennisse’, met vier gedichten tegelijk, waaronder het bekende gedicht ‘De boerinne fan Surch’. Naar verluidt heeft de schrijfster Simke Kloosterman hem gestimuleerd om te publiceren. Zeker is dat gedurende zestig jaar dichterschap een grote stroom poëzie ontstond, waarvan de dichter nauwgezet bijhield wanneer die werd geschreven.
Postma is dus vrij laat gaan dichten. Het wetenschappelijk werk alleen gaf hem in die tijd niet genoeg voldoening meer. Hij zei dat hij in de natuurwetenschappen het wezen der dingen niet had gevonden, eerder wel reden om voor de bètakant te kiezen. Het dichten was een hernieuwde poging om dat wel te vinden. Het gaf hem ook de mogelijkheid zijn gevoelens, zijn heimwee naar Friesland en zijn jeugd te beschrijven.

Een belangrijk persoon voor Postma was zijn vriend Tjitze de Boer (1866-1942) uit Wirdum. De Boer was filosoof, arabist, historicus, theoloog en psycholoog, onder andere conservator aan de universiteitsbibliotheek in Groningen en vanaf 1906 hoogleraar filosofie aan de Universiteit van Amsterdam. Ze hadden het samen over verschillende zaken zoals filosofie en de Friese geschiedenis. Bovendien was De Boer liefhebber van kunst en liet dat in zijn werk ook zien. Na zijn overlijden schreef Postma het gedicht ‘Fan in ferstoarne freon’ (‘Over een gestorven vriend’) dat De Boer en de vriendschap tussen de beide mannen mooi typeert, met de markante slotregels: ‘No stiet syn libben ôfsletten as in keunstwurk, steld bûten romte en tiid / En duorjender as yn de Keningsstrjitte sil it bewarre bliuwe.’ (‘Nu staat zijn leven afgesloten als een kunstwerk, geplaatst buiten ruimte en tijd / en langer dan in de Koningsstraat zal het bewaard blijven.’ De Koningsstraat is waar het Eysingahuis staat, toen in gebruik als Fries Museum; De Boer was daar ooit conservator van het Fries Museum geweest). Net als De Boer had Postma grote interesse voor het Fries en in zijn keuze voor het dichterschap heeft dat wellicht sterk meegespeeld. Postma was actief lid van de Groninger krite ‘Halbertsma’ van het Frysk Selskip.

De titel van zijn eerste bundel uit 1918 wekt, gezien zijn wetenschappelijke en literaire interesse, geen verbazing: Fryske lân en Fryske libben. Voor It sil besteanuit 1947 kreeg Postma in datzelfde jaar de eerste Gysbert Japicxpriis. Toen werden ook voorbereidingen getroffen een verzameling van zijn werk uit te geven. Deze verscheen in 1949 in twee delen als Samle Fersen. Toen Postma de tachtig al gepasseerd was, schreef hij nog Fan wjerklank en bisinnen(1957) en stelde ook zelf een bloemlezing samen uit het verzameld werk, Eigen kar: in blomlêzing út de Samle Fersen(1963). In deze tijd werd hij gezien als een van de oudste dichters van West-Europa. Naast dichter was hij ook een kundige vertaler van poëzie. Hij vertaalde gedichten van P.C. Boutens, Emily Dickinson en Rainer Maria Rilke en verder Chinese poëzie en grote gedeelten van de Oudsaksische Heliand.
Evenals bij zijn wetenschappelijk werk ging hij bijna tot aan het eind van zijn leven door met publiceren. Het laatst gepubliceerde gedicht ‘Yn Grinslân’ stond in De Tsjerne van oktober 1962.

Eenvoudig dichter
Het eerst werk van Postma is beïnvloed door dichters als Verwey en de jonge Gorter en heeft ook zijn wortels in de Romantiek, waar het werk van Wordsworth een vormende kracht is geweest, maar waarin eveneens de invloed van Eeltsje Halbertsma te bespeuren valt. Specifiek is het epische gedicht Meivan Herman Gorter van belang geweest. Dit gedicht heeft Postma naar alle waarschijnlijkheid geïnspireerd het Friese landschap als decor te gebruiken en een op het eerste gezicht eenvoudige taal te hanteren.
In die eenvoudige taal schuilt volgens D.A. Tamminga de kracht van Postma: ‘… de woordkeuze is die van het boerenerf, ontdaan van zijn ruige kanten, eenvoudige taal op het eerste gezicht, waarover op een wonderlijke manier een stille, innerlijke glans ligt.’ Kleine dingen die schijnbaar geen betekenis hebben worden opgetild door de taal. Het dichterschap heeft hiermee zijn wortels in het volk. Postma kan echter geen volksdichter genoemd worden, daarvoor was hij te individualistisch ingesteld; bovendien is zijn poëzie lang niet altijd even eenvoudig als sommigen suggereren. Het werk heeft een filosofische achtergrond die niet meteen toegankelijk is. Wadman sprak in de jaren vijftig al over het ‘dichterlijk geheimschrift’ waar hij wees op allerhande stijlverschijnselen van Postma die het patroon van eenvoudige taal doorbreken. Jabik Veenbaas ziet de eenvoud vooral in de toon van Postma’s gedichten: de dichter brengt zijn boodschap zo spontaan en naturel mogelijk over, zijn poëzie is ongekunsteld.

Eeuwigheidservaring
Een gewaardeerd en markant kenmerk van Postma’s poëzie is de ‘eeuwigheidservaring’ die hij overbrengt. Steeds weer probeert de dichter woorden te vinden voor het onuitspreekbare, het ontzaglijke, voor dat wat eeuwig en onvergankelijk is. Dat beleeft hij voornamelijk in de natuur om zich heen. Door al zijn zintuigen voelt hij zich ermee verbonden en erin opgenomen, in een moment van eeuwig geluk, soms zo sterk dat hij ervan moet huilen. In het gedicht ‘Jo lêze fêst faak yn jo eigen gedichten?’ (‘U leest zeker vaak in uw eigen gedichten?’) brengt Postma dat zelf als commentaar op zijn eigen werk onder woorden. Een samenhangend aspect is dat Postma ook dicht over de historische sensatie dat ‘nu’ en ‘toen’ één worden, wat eveneens zorgt voor een momentaan gevoel van eeuwigheid. In het begin ging het hierbij vooral om Postma zijn persoonlijke ‘toen’ (herinneringen aan mensen uit zijn jeugd bijvoorbeeld), maar toen hij zich op de geschiedenisstudie toelegde, kwamen de historische sensaties los te staan van zijn persoonlijke geschiedenis.

Dichter van de sublieme ervaring
Het zich overweldigd voelen door de grootheid van de natuur wordt aangeduid als ‘de sublieme ervaring’, een kenmerk van de Romantiek. Breuker introduceerde deze term voor Postma’s werk in zijn inaugurele rede in 1996, ‘Obe Postma als auteur van het sublieme’. Hiermee gebruikte hij een kwalificatie die toen in het literair-historisch begrippenapparaat in Nederland niet gangbaar was; men gebruikte de term ‘het verhevene’. Breuker wees op de verwantschap tussen Postma en Wordsworth, Keats en Emily Dickinson, drie dichters die dichten over de sublieme ervaring en als zodanig ook worden aangeduid. Volgens Abe de Vries zit in het ‘overweldigende gevoel’ ook een element van angst, van ‘terror’ – dat ontbreekt bij Postma, reden waarom hij volgens De Vries niet een ‘auteur van het sublieme’ kan worden genoemd. Breuker werkt zijn kwalificatie in 2008 verder uit en noemt Postma nu ‘de dichter van de sublieme ervaring’: ‘Het individuele, concrete van de werkelijkheid wordt één met het allesomvattende en als machtig ervaren continue andere dat buiten tijd en ruimte staat. In die ervaring maakt een vreemd verlangen zich meester van de ‘ik’, een gevoel als vastgenageld aan de grond te staan. Er zit vaak een erotisch element in. Van zelfverlies, zoals in de mystieke ervaring, is echter geen sprake.’

Homo-erotische gedichten
Algemeen wordt aangenomen dat Postma homoseksueel was, al is de liefde voor jongens en mannen in zijn werk vaak bedekt in een geëxpliciteerd verzwijgen. Hij is geen typische mannelijke dichter te noemen; hij vermijdt geen enkel klein detail en laat zijn emoties duidelijk zien. Daarnaast dicht hij niet over de liefde tussen man en vrouw. Meer heeft hij geschreven over mannen en hun relatie met een vaak oudere dichter. Zoals in ‘Fertrouwen’ waarin beschreven wordt hoe hij met een verrekijker naar een jongen staat te turen. Of in ‘Blommejonge’ waar Postma erg expliciet is: ‘Dyn antlit, sei ’k, is moaier as dyn blommen.’ (‘Je gezicht, zei ik, is mooier dan je bloemen.’)

Verwantschap met andere dichters
Postma voelde zich aan een aantal dichters verwant en herkende in hun werk dingen die hem ook bezighielden. Naast de bovengenoemden zijn dat Boutens, Rilke, Slauerhoff en enkele Chinese dichters. Meerdere malen noemt Postma Slauerhoff in zijn gedichten of verwijst hij na zijn werk. In ‘Unierdsk petear’ (‘Onaards gesprek’) heeft hij zelfs een tweespraak met Slauerhoff. Bekend is ook het gedicht ‘By de dea fan de dichter Slauerhoff’ uit 1936. Postma voelde zich met Slauerhoff verbonden vanwege diens Friese afkomst – hij noemt hem ergens ‘een Fries dichter’ – en hij had bewondering voor zijn moed om zich openlijk te uiten en voor het feit dat hij, meer dan Postma, zijn verlangens ruimte had gegeven. In het bovengenoemde in memoriamgedicht verwijst Postma ook naar de enige keer dat beide mannen elkaar ontmoetten: in 1916, toen Slauerhoff mondeling hbs-eindexamen deed en Postma gecommitteerde was. De manier waarop Postma Slauerhoff in zijn werk opneemt is karakteristiek. Hij verwijst concreet naar en geeft commentaar op de actualiteit, zijn persoonlijke geschiedenis, mensen die hij kent, literair werk van anderen en in het bijzonder ook dat van zichzelf. Zo schreef hij als reactie op een vraag van Ype Poortinga het al eerder genoemde ‘Jo lêze fêst faak yn jo eigen gedichten?’
Jabik Veenbaas wijst in zijn artikel uit 2003 op het gevaar dat de oorspronkelijkheid van Postma’s dichterschap op de achtergrond raakt wanneer de nadruk te veel op de verwantschap met andere dichters komt te liggen. Veenbaas ziet het eigene van Postma in de bezieling van het Friese land, in zijn toon, in zijn zoeken naar harmonie en zijn zelfironie.

Zelfironie
Postma kiest geregeld de positie van de underdog om zijn poëzie te presenteren. Zoals in het gedicht ‘Te Harns’ (’Te Harlingen’), waar hij schrijft dat Goethe een reis maakte naar Italië en Rilke naar Rusland, maar dat hij op zijn oude dag naar Harlingen is geweest. In het bezoek aan die kleine stad zit voor Postma alles wat in het leven van belang is, en naarmate het gedicht zich ontwikkelt, verandert zijn zelfironie in commentaar op Goethe en Rilke, die meenden dat ze naar verre landen moesten om de wereld werkelijk te leren kennen. Voor Postma waren de kleine dingen van evenveel belang als de grote, de koeienstal en de vissershuisjes even interessant als het Empire State Building, zoals Veenbaas aangeeft. Postma’s zelfironie sluit goed aan bij zijn eenvoudige decor van dorp en land en bij zijn natuurlijke toon.

Ontwikkeling in thematiek
In essentie is Postma’s werk door de tijd heen niet veranderd. Er kan echter wel een ontwikkeling in zijn dichterschap worden gezien, die Breuker als volgt schetst. In het begin is op Postma’s poëzie van toepassing wat de dichter aanduidt als ‘het aandenken aan een gelukkig ogenblik’, waarbij dat wat hij op het moment in het heden voor zich heeft, hem verbindt met het mooie uit het verleden, zodat het tegenwoordige en het voorbije tot één droom in elkaar schijnen te lopen. De thematiek is aanvankelijk vooral zijn eigen jeugd, maar rond 1912 begint hij meer bezieling te vinden in het (Friese) verleden, mede door zijn historische onderzoeken. Ongeveer twintig jaar later voelde hij zo sterk dat hij het verleden niet meer nodig had en breidde het bereik van de dichter zich uit naar zijn eigen tijd. Hij kreeg ontzag voor de wereld om zich heen en plaatste kleine dingen in een groter, kosmisch verband. Zijn werk uit de laatste periode wordt speelser en vrijer. Daarnaast lijkt hij meer afstand te nemen, objectiever te worden. Evengoed is Postma’s poëzie vol emotie. Al met al krijgt het werk een tijdloos karakter, wat in de regel geldt als een grote kwaliteit.

Vorm
Behalve bij de thematiek valt er ook in de vorm een ontwikkeling waar te nemen. In het begin is de meest voorkomende vorm een gedicht met strofen van vier regels met een onopvallend abcb rijmpatroon. Vanaf het begin schreef Postma ook al rijmloze gedichten en na verloop van tijd liet hij de regelmatige strofenbouw ook los. In de jaren twintig ontstond bij zijn vrije gedichten een parlandostijl – ze zijn geschreven in alledaagse taal en benaderen in metrum en ritme de spreektaal. Het is de stijl die erg geschikt is om de sfeer van een oude mijmerende man op te roepen.

Verspreiding, receptie, studie
Nog tijdens zijn leven werd Postma’s werk onderwerp van onderzoek. In 1952 kwam literair tijdschrift De Tsjerne met een aflevering die aan Postma was gewijd; daarnaast verscheen als apart boekje een essay van Fokke Sierksma. Bij gelegenheid van zijn 90ste verjaardag werd in 1958 een speciaal nummer van It Beaken, het tijdschrift van de Fryske Akademy, aan de dichter aangeboden.

In 1978 verscheende Samle fersen, met een inleiding van D.A. Tamminga. Bij deze gelegenheid presenteerde het Letterkundig Museum in Den Haag een tentoonstelling over Postma die eerder in het FLMD had gestaan en werd er in landelijke bladen aandacht aan hem besteed. Buiten Friesland nam de belangstelling nog meer toe toen Postma sterk geprofileerd werd in de eerste editie van de Spiegel van de Friese poëzie (1994). In 1997 verscheen de tweetalige bloemlezing Van het Friese land en het Friese leven met vertalingen van Jabik Veenbaas en een nawoord van Phillipus Breuker. Met de Engels-Friestalige pendant What the Poet Must Know (2004) kwam het werk ook beschikbaar buiten de landsgrenzen. Eerder was dit al gebeurd met een kleine selectie in het Duits vertaalde gedichten.

Abe de Vries beweert in zijn inleiding op zijn bloemlezing It sil bestean in 2004 dat Postma in de receptie in Fryslân is geannexeerd door steeds weer andere belangengroepen: Fries-nationalen, christenen op zoek naar een Ersatz-religie, traditionele dichters met kritiek op de experimentelen, kosmopolieten die de agrarische context van de Friese literatuur wilden ontkennen, literatuurpromotoren die zich richtten op het urbane Randstedelijke lezerspubliek en die vooral de buitenlandse dichtersinvloed benadrukten.
De Vries zelf ziet twee belangrijke aspecten in Postma’s werk: hij is dichter van de ‘mienskip’ (‘gemeenschap’, van het verlies ervan en het zoeken ernaar) en, in een tijd dat Fryslân steeds voller wordt gebouwd, is hij dichter van het erotische natuurbeleven. De Vries sluit zich in het ‘gemeenschapszoeken’ van Postma aan bij Geart fan der Mear en Fokke Sierksma. Hij verklaart dit aspect in Postma’s werk uit het gevoel van heimwee dat Postma als ‘Fries om utens’ vast altijd moeten hebben gehad. De erotische natuurbeleving leest De Vries in het verlangen ‘om de vruchtbaarheid van hemel en aarde in een bestendig beeld vast te leggen’.

Nog ander secundair werk verscheen. In 1979 werden eerdere studies van J.H. Brouwer, Anne Wadman en Fokke Sierksma gebundeld. In 1982 schreef J.J. Kalma een bibliografie van en over het werk van Postma en een paar jaar later onderzocht Piter Boersma de frequentie van de meest gebruikte bijvoeglijke naamwoorden (1988). Breuker kwam in zijn inaugurele rede in 1996 met het ‘sublieme’ om Postma’s werk te karakteriseren. Literair tijdschrift Trotwaer gaf in 1997 een speciaal nummer over Obe Postma uit met allerhande stukken over Postma en zijn werk. Jabik Veenbaas en Abe de Vries reageerden weer op studies van Breuker, die in 2005 een brede inleiding gaf op werk en leven in de heruitgave van de Samle fersen.

Tot op de dag van vandaag worden er nog regelmatig bijeenkomsten en themadagen gehouden over Obe Postma en zijn werk. Belangrijk daarbij is het Obe Postma Selskip, opgericht in 2006, dat nieuwe uitgaven en studies van zijn werk stimuleert door de uitgave van het tijdschrift Wjerklank en één kaar per jaar een studiedag over een aspect van Postma.
In november 2014 werd na jarenlang ijveren door het Obe Postma Selskip een borstbeeld van Postma geplaatst in de studiezaal van Tresoar met de karakteristieke dichtregels:

En siele hat – o dream yn simmerlân –
Yn ierdsk begean fan it tideleaze wûn.


Zo heeft de ziel – o droom in zomerland –
Van ’t eeuwige geroofd op aardse grond.
(vert. Jabik Veenbaas)

[Verslag]


Postma op bewegend beeld
In 2012 werden filmbeelden ontdekt waarop Postma te zien is –het enige bewegende beeld dat van hem bekend is. Het fragment dateert van 3 november 1950 en is gemaakt in Bolsward, waar Postma de uitreiking van de Gysbert Japicxpriis en de Joast Halbertsmapriis bijwoonde. Hij was toen 82 jaar oud. Onderaan deze pagina is het fragment te zien. Voor meer informatie over de ontdekking zie hier.


Twee van Postma’s gedichten
Hieronder volgen de gedichten ‘Mienskip’ en ‘Ein’. Onderaan deze pagina een opname uit 1959 waar Postma, toen al 90+, het gedicht 'Ein' voordraagt:

Mienskip

De sleat mei kikkertsblom,

De úttrape wâl in byt begroeid,
Ofearte pôle en tehaff’le reid –
De miedkraach mei syn dracht
Fan klaver, blommeguod en al
Wat op ’e seine wachtet,
   Kaam gear yn my,


It lûd, dat fan ’e hiemen komt,
It balten dat oer ’e lânen klinkt,
En al ’t bedriuw
Dat libben om my hinne giet
   Kaam gear yn my.

It folk dat hjir syn wenstee hie,
En wat der bodde en wrotte d’ ieuwen oer,
En al wat hjir troch bloei en stjerren gong,
   Kaam gear yn my.


[1926]


Gemeenschap

De sloot met kikkerbeet,
De uitgetrapte wal karig begroeid,
Afgegraasde stek en aangevreten riet –
De weide met zijn dracht
Van klaver, bloemetjes en al
Wat op de zeis wacht,
   Werd één in mij.

't Geluid, dat van de erven komt,
't Geloei dat door de velden klinkt,
En heel 't gewoel
Dat me zo levendig omgeeft
   Werd één in mij.

Het volk dat hier zijn woonstee had,
En wat er sloofde en zwoegde eeuw na eeuw,
En al wat hier door bloei en sterven ging,
   Werd één in mij.

vertaling Jabik Veenbaas



Ein

Noch in boek mei wat sangen; wat witnisspul
Ut âlde brief beskreaun?
Mear kin ik net wachtsje; de oere giet,
De dream is hast ferdreaun.

Fier oer de bergen it ljocht dat ea
Ut fergûne sinne blonk;
Troch de beammen in rûzjen fan ivichheid,
Dêr't al wat wie fersonk.

Ferstoarne geslachten' wêzens skyn
Stiet bûten tiid en stee.
De weagjende siele naam har op;
Sa jou dy oer oan de see.

[1935]


Einde

Nog een boek met wat zangen; wat wetenschap
Uit oude brief verstaan?
Meer mag ik niet hopen; de tijd verstrijkt,
De droom is haast gedaan.

Ver over de bergen het licht dat ooit
Uit vergane zonnen blonk;
Door de bomen een ruisen van eeuwigheid,
Waar al wat was verzonk.

Van verre geslachten de wezensschijn
Staat buiten tijd en stee.
De deinende ziel nam allen op;
Geef jij je dan aan de zee.

vertaling Jabik Veenbaas

Bronnen voor dit stuk
Voor het schrijven van bovenstaand stuk is gebruik gemaakt van de verzamelde gedichtenbundels uit 1978 en 2005, de tweetalige bloemlezingen Van het Friese land en het Friese leven / Fan it Fryske lân en it Fryske libbenen What the Poet Must Know, van Skriuwers yn byld 6, van de literatuurgeschiedenis Zolang de wind van de wolken waait, het speciale nummer van Trotwaer uit 1997, de stukken van Jabik Veenbaas uit 2003 en van Abe de Vries uit 2004, het artikel van Philippus Breuker uit 2008 en de bijdragen van Tineke Steenmeijer en Philippus Breuker in Obe Postma. Dichter fan it Fryske lân uit 2014.

Bibliografie

Poëzie
1918: Fryske lân en Fryske libben (2de vermeerderde dr. 1923)
1929: De ljochte ierde: nije fersen
1937: Dagen
1946: It sil bistean
1957: Fan wjerklank en bisinnen
1949: Samle fersen(twee delen)
1963: Eigen kar: in blomlêzing út de Samle Fersen
1978: Samle fersen(inleiding van D.A. Tamminga, bezorgd door Tineke Steenmeijer-Wielenga)
1998: Van het Friese land en het Friese leven / Fan it Fryske lân en it Fryske libben (samenstelling en nawoord door Ph. Breuker; vertaling door Jabik Veenbaas)
1998: Fryslân! De wrâld! / Friesland! Die Welt! (O. Postma en Tsj. Hettinga; vertaald door A. Posthuma en B. Gezelle Meerburg)
2004: It sil bestean (samenstelling en inleiding Abe de Vries)
2004: What the poet must know (vertaling Anthony Paul, met een inleiding van Jabik Veenbaas)
2005: Samle fersen (inleiding door Philippus Breuker, bezorgd door Tineke Steenmeijer-Wielenga)

Vertalingen
1933: Gedichten fen Rilke
1982: Twofold / Twilûd (tien gedichten van Emily Dickinson in Friese vertaling)

Anderen over Postma en zijn werk (een selectie)
1953: F. Sierksma, Bern fan de ierde, en essay over het dichtwerk van Obe Postma, Drachten
1958: It Beaken, Dr. O. Postma, speciale uitgave, aangeboden ter gelegenheid van zijn 90ste verjaardag
1978: D.A. Tamminga, inleiding bij de Samle fersen.
1979: A. Feitsma (ed.), Oer Obe Postma, studies fan J.H. Brouwer, Anne Wadman en Fokke Sierksma, Leeuwarden
1979: G. van der Meer, Ta skiente brocht wat net as libben wie, yn Trotwaer(nr. 4)
1981: A. Feitsma, Obe Postma, un tachtiger yn Fryslôn, yn Trotwaer(nr. 1),
1982: J.J. Kalma, Bibliografy fan en oer it wurk fan O. Postma, Leeuwarden
1988: P. Boersma, ‘De frekwinsje fan it eigenskipswurd yn it wurk fan Obe Postma’, in Wurdfoarried en wurdgrammatika, Leeuwarden
1996: Ph.H. Breuker, Obe Postma als auteur van het sublieme, inaugurele rede UvA, Amsterdam
1997: Skriuwers yn byld nr 6: Obe Postma (1868-1963), samengesteld door Phlippus Breuker, Tineke Steenmeijer-Wielenga en Andrys Stienstra
1997: Trotwaer, ’t Hat west, it is. De aktualiteit fan Obe Postma, speciaal nummer
2003: Jabik Veenbaas, ‘De oarspronklikheid fan Postma’, in De lêzer is in duvel.
2004: Abe de Vries, ‘Eros yn ’e greide i - iv’, inleiding bij bloemlezing It sil bestean.
2005: Philippus Breuker, ‘It godlike fan dream en sinnen’, inleiding op de Samle fersen.
2008: Philippus Breuker, ‘Obe Postma, dichter van de sublieme ervaring’, in De dichters en de filosofen. Wijsgerige aspecten van de poëzie in Nederland rond 1900.
2014: Obe Postma. Dichter fan it Fryske lân. Verschillende auteurs. Uitgave ter gelegenheid van de onthulling van het borstbeeld van Postma in Tresoar, 6 november 2014.

2006 - ... Tijdschrift Wjerklank (verschijnt twee keer per jaar)
Themabundels van de studiedagen van het Obe Postma Selskip.

Prijzen
1947: Gysbert Japicxpriis voor It sil bestean
1954: Rely Jorritsmapriis voor ‘Fan de fjouwer eleminten’
1954: Dr. Joost Halbertsmapriis voor Geschiedenis van de Friese Landbouw(met J.J. Spahr van der Hoek)

Meer informatie over Obe Postma
Jelle van der Meulen, Friese literatuursite
Obe Postma Selskip

Media
Postma leest het gedicht ‘Ein
Postma, dankwoord bij Gysbert Japickpriis 1947

© Tresoar, 21-11-2014