Geboren: 31-01-1954, Sondel

Leven en werk

Jacobus Quiryn Smink is geboren en getogen in Sondel, Gaasterland. Zijn vader had een boerenbedrijf. Hij is de vierde in een gezin van negen, ‘dus er werd veel Fries gepraat’, zoals hij dat gekscherend aangaf in een interview in 1995. Smink kreeg atypisch veel Fries op school. De lagere school in Sondel was tweetalig, de leerlingen lazen er bijvoorbeeld de kinderboeken over Durk en Djoke van de schrijfster Jant Visser-Bakker en de kinderversjes van Diet Huber. Op de havo in Sneek koos hij Fries in zijn eindexamenpakket; hij had les van Jan de Jong, bekend als vertaler. Hij volgde de studie Nederlands aan de lerarenopleiding Ubbe Emmius in Groningen. Na zijn afstuderen verhuisde hij in 1980 naar Brabant. Vanaf 1983 woont hij in Eindhoven waar hij werkt als docent Nederlands. Hij is vader en grootvader.

Dichter en redactielid
Jacobus Smink begon vroeg met schrijven. Op de middelbare school schreef hij popteksten, meest in het Nederlands of het Engels. Zijn klasgenoot Jaep de Jong, die gedichten schreef in het Fries, zette hem op het spoor van zijn moedertaal. In zijn Groninger periode kwam hij in contact met de dichter Tsjêbbe Hettinga, waardoor hij er zich nog meer van bewust werd dat het Fries de taal was waarin hij wilde schrijven.
Hij debuteerde als Jacob Smink in 1972 in het literaire tijdschrift Hjir met het korte verhaal ‘Hwa wit’ en een gedicht met de titel ‘Leaf famke’. Hjir was kort tevoren opgericht door Piter Boersma en Bonne Stienstra als podium voor jonge beginnende schrijvers en als tegenhanger voor de bestaande literaire tijdschriften (m.n. Trotwaer en Sonde) die ze als te elitair en te politiek beschouwden. In januari 1975 werd de redactie met een grote groep jonge dichters en schrijvers versterkt: Jelle Kaspersma, Piter Yedema, Jacobus Dykstra en Tsjêbbe Hettinga. Jakobus Smink was er ook een korte periode bij. In 1979 kwam hij voor een langere periode in de redactie, nu als Jacobus Q. Smink. Het initiaal Q. voor Quiryn had hij er zelf bij bedacht, als een mooie toevoeging. In 2013 vertelde hij dat een Jacobus Quiryn Eppinga sneuvelde bij Waterloo in 1815. Jacobus Smink's moeder was een Eppinga en zo bracht hij die Q weer terug in de familie. Hij werkte zeven volle jaren mee in de redactie, en na een tussenperiode van nog eens zeven jaar werd hij in 1993 opnieuw redactielid en bleef dat tot nu. Toen Hjir met ingang van 2009 samen met Farsk opging in Ensafh, kwam hij ook in de Ensafh redactie. Hjir en ensafh zijn altijd zijn podium geweest, met uitzondering van een paar uitstapjes naar Trotwaer, begin jaren negentig.

Eerste bundels
Sminks eerste bundel Apàrte fersen verscheen in 1983 in eigen beheer bij de Stifting Hispel als een eenvoudig, gestencild boekje. Het was in de woorden van de dichter een selectie van gedichten die niet pasten in de ‘echte bundel’ waar hij mee aan het werk was. Twee jaar later volgde die echte bundel bij de KU met als titel Wurk fan de achtste dei. De titel lijkt te verwijzen naar het scheppende werk dat de mens zelf moet uitvoeren, het verlangen taal zuiver te kunnen gebruiken, los van conventies. De thematiek van beide bundels laat zich niet kort omschrijven. Het hermetisch karakter van de gedichten betekende een verdeelde ontvangst bij de recensenten.
Foar de famkes (1988) heeft als thema de liefde van een vader voor zijn dochters, de dragers van beloften en dromen: ‘Op myn famkes bou ik dreamen / Se hjitte fan Balsemyn / Swanneblom / Riuwer / en / Bij’. In ruimere zin geldt de titel ook dichters geliefde. Volgens Cornelis van der Wal zijn de meeste gedichten geschreven als redding voor een sombere, melancholieke dichter die beseft dat hij ouder wordt: ‘Myn gedachten binne bousels / Fan misbegryp en fan ferset / Tsjin de âldelullewet’ (Trotwaer 1989, nr 3). De poëzie in Foar de famkes is toegankelijker, de dichter heeft er minder dan in zijn vorig werk behoefte aan ‘een hoogdravende drummer van het woord’ te zijn.
In Mei beide lippen (1991) is de speelse blijheid van de vorige bundel verdwenen: het gaat over verlies en eenzaamheid. De geliefde van de dichter heeft hem verlaten, een paar goede vrienden zijn jong gestorven. De gedichten houden ondanks dat een zekere lichtheid, ook door Sminks markante afwijkende taalgebruik, dat zich in deze bundel voor het eerst duidelijk aftekent: het gebruik van anakoloet, ellips, inversie en andere ongrammaticale constructies.

Tussentijds hoogtepunt
Een hoogtepunt vormt de bundel Lingerich tekstyl & swarte side (1994) met als thema de erotiek: ‘Adam verslingerd’. Eppie Dam schrijft over de bundel (Frysk & Frij, december 1994, vertaald): ‘Lingerich tekstyl & swarte side zou ik een typische Smink-bundel willen noemen. Alles wat zo karakteristiek is voor zijn poëzie zit erin: kringelende ideeën, intrigerende dwarsverbanden, eigenzinnige formules, knap bedachte neologismen, wanstaltige constructies, storend gepraat, irritante cryptococcen. En wat daar dan nog bij komt: de superieure achteloosheid van toevalligheden. Alsof hij er niets voor hoefde te doen en gaf de Muze het haar beminde in de slaap.’ Niet elke recensent was enthousiast. Albertina Soepboer miste in de poëzie de subtiliteit, zodat de suggestie van erotiek in de ene regel in de volgende alweer verloren gaat (Trotwaer, nû. 2, 1995). Abe de Vries karakteriseert de dichter in zijn bloemlezing Het goud op de weg evenwel als ‘een liefdesdichter pur sang’. Hylke Tromp wijst erop dat met de aangesproken persoon in de bundel ook de liefde kan zijn bedoeld, de muze of de taal; het taalgebruik van de dichter ferrifelt de lezer en de titel kan op meerdere manieren worden gelezen.
In 1995 volgde Minskegedichten (‘minsk’, mens, is een anagram van 'Smink') met dezelfde soort afwijkend taalgebruik; de gedichten gaan over ‘minsk’ in allerlei levenssituaties, van geboorte tot dood, een kaleidoscoop van het mensenleven. Waar het bijzondere taalgebruik in de voorgaande bundel suggestief werkte, kreeg het hier iets van een trucje, met name door de herhalingen van het woord ‘minsk’. De critici beschouwden het werk meer als een tussendoortje, uitgegeven in het kader van de serie ‘Ljochtmoanneboekjes’, waarmee de Koperative Utjouwerij in 1995 zijn vijfentwintigjarig bestaan vierde (bij elke volle maan een uitgave).

Bekroonde bundel
Sondelfal (2009) bevat niet eerder gepubliccerd werk en een selectie uit wat de dichter vanaf 1993 in de tijdschriften puliceerde, soms in een bijgewerkte vorm. Een voorbeeld van dat laatste is it gedicht ‘Masine mei hege en lege panne’, dat eerder als ‘Sondeler sonnet’ verscheen (LC 25-07-1999). De jeugdherinneringen aan Sondel en de confrontatie met hoe het nu is vormen het centrale thema. De titel kan ook gelezen worden als een verwijzing naar ‘zondeval’, het verlies van het paradijs van de jeugd, hoewel Sminks poëzie nergens getekend wordt door hangups over een religieuze opvoeding. Eric Hoekstra wijst er in zijn bespreking in Ensafh (2010, nr 3) op hoe in de bundel de jeugdjaren als licht en speels worden voorgesteld en de volwassenheid als ‘saai’, en dat de dichter met zijn taalgebruik die lichte kindertijd ook in de vorm verbeeldt. Zo nu en dan gebruikt hij Zuidhoekse varianten van het Fries, die niet in de standaardtaal worden gebruikt; in het bovengenoemde gedicht staat bijvoorbeeld eerst ‘menne’, later veranderde Smink dat in ‘mêne’ (mennen van een paard).
De adviescommissie van de Gysbert Japicxpriis schreef, opgetogen, over Sondelfal: ‘Het is wonderbaarlijk hoe Jacobus Q. Smink dat flikt. In Sondelfal lukt het hem de lezer volstrekt te verwarren met neologismen, ellipsen, wilde associaties, duistere metaforen en tegelijk leidt hij hem linea recta naar Sondel, het dorp waar hij zelf in 1954 ter wereld kwam. En daarbij tovert hij dat Sondel zo helder voor ogen dat je er helemaal nostalgisch mee van kunt worden. Om in diezelfde tel die herinneringen in een ware Sondel-val als vuurwerk te laten uiteenspatten. Een prachtige bundel van een dichter die er al lang is maar zichzelf hier opnieuw uitvindt.’

Vertaler
Jacobus Q. Smink heeft een aantal boeken uit de wereldliteratuur vertaald in het Fries. Hij houdt van vertaalwerk om ‘in het ritme te blijven’ en voor inspiratie. Zijn ‘Ronja’ werd bewerkt tot een toneelvoorstelling die het Friese theatergezelschap Tryater rond de jaarwisseling 2001 met veel succes opvoerde.

Werk

Poëzie

1983: Apàrte fersen
1985: Wurk fan de achtste dei
1988: Foar de famkes
1991: Mei beide lippen
1992: Freonskrift (24 earder ferskynde kwatrinen mei oersettingen yn fiif talen)
1994: Lingerich tekstyl & swarte side
1995: Minskegedichten
2009: Sondelfal
2013: Adams apel
2015: Tongermolke

Vertalingen
1995: Anne Frank, It Achterhûs
1998: Antoine de Saint-Exupéry, De lytse prins (2de útjefte 2012)
2000: Astrid Lindgren, Ronja, de rôversdochter
2010: Heinrich Hoffmann, Smoarge Piter (Der Struwwelpeter)

Prijzen
2013: Gysbert Japicxpriis voor Sondelfal

Meer informatie
Jelle van der Meulen, Friese literatuursite
Sytske de Boer, vraaggesprek  LC 25-04-1995
Hylke Tromp, ‘It riedsel fan de sfinks’, in Spikers & Koppen, 1998
Marita de Jong, vraaggesprek in De Moanne 2010, nr 3, s. 6-9
Eigen website

Tresoar © 23-02-2007 / 15-09-2013