Geboren: 30-11-1919, Langweer
Overleden: 6-02-1997, Sneek

Leven en werk

Anne Sijbe Wadman groeide op in een socialistisch gezin in Langweer. Zijn vader was gemeenteontvanger. Over zijn jaren op de middelbare school publiceerde hij later onder andere in Mei Abraham fûstkje (1969) en in 16 (1985).

In die periode sloot hij zich aan bij friesgezinde kringen. Vooral voor het ‘Boun fan de Frysk Nasjonale Jongerein’ deed hij veel werk. Hij gaf al snel blijk van een goede taalvaardigheid. In de stukken die hij publiceerde in bladen als It Seinfjûr en Het Schoolblad kwam zijn interesse voor muziek, literatuur en Fries duidelijk naar voren.

Studie
In 1939 begon Wadman met de studie Nederlands aan de Gemeente Universiteit in Amsterdam. In zijn studententijd leerde hij Gerrit Borgers kennen, de latere directeur van het NLMD, met wie hij altijd goed bevriend bleef. Hij keerde in het voorjaar van 1942 terug naar Friesland om te studeren voor zijn kandidaatsexamen. Hij schreef zich niet weer in voor het volgend collegejaar en haalde als extraneus zijn kandidaats in januari 1943. Later dat jaar tekende hij de loyaliteitsverklaring omdat hij bang was anders in Duitsland tewerkgesteld te zullen worden. Al gauw bleek dat dit onnodig was geweest, omdat hij een baantje kreeg bij het distributiekantoor in Langweer waar zijn vader ook werkte. De laatste oorlogswinter was hij ondergedoken in Gorredijk. Na de bevrijding werkte hij als journalist, muzikant en criticus. Door de Zuiveringscommissie werd hij tot eind december uitgesloten als student, de lichtst mogelijke sanctie voor het tekenen van de loyaliteitsverklaring. In september 1946 ging hij opnieuw in Amsterdam wonen voor zijn doctoraalstudie, die hij in maart 1948 afrondde.

Begin van literaire activiteiten, criticus
In de oorlogsjaren had Wadman tijd gehad om te lezen, schrijven en corresponderen met een groot aantal mensen. Door het lezen van Ter Braak kwam hij tot het inzicht dat hij als schrijver met een verbeten eerlijkheid ‘zijn menselijke onmacht moest belijden’. Hij wilde zich als Fries schrijver manifesteren en de Friese literatuur vooruit brengen, in het besef dat deze naast de grotere literaturen maar onaanzienlijk was. In de eerste helft van 1943 werkte hij aan de roman Fioele en faem, die pas in 1948 zou verschijnen. Meteen na de oorlog kwamen wel de gedichtenbundels Op koart front (1945) en Fan tsien wâllen (1945) uit. In zijn boek met autobiografische opstellen Mei Abraham fûstkje is hij uiterst negatief over zijn eigen dichtwerk, maar er is een blijvend lezerspubliek voor deze gedichten met hun anti-burgerlijke en illusieloze toon in traditionele versvormen.
In 1943 vond Wadman (hoofdzakelijk via briefcontact) aansluiting bij Fedde Schurer en Douwe Tamminga met zijn plannen om na de oorlog een literair tijdschrift op te richten. Schurer had onafhankelijk van Wadman dezelfde plannen. Het tijdschrift werd De Tsjerne. Wadman zat tot 1953 in de redactie. Hij was kort na de oorlog ook nog twee jaar redactielid van het Nederlandstalige Podium, met onder anderen Fokke Sierksma en Gerrit Borgers. In deze acht jaar bouwde hij de reputatie op van een scherp literair criticus die de Friese literatuur wilde meten aan het ‘Europese peil’. Fel kwam hij op tegen zelfvoldane en al te volksaardige lectuur. In 1952 ontving hij de Gysbert Japicxpriis voor dit kritisch werk, gebundeld in Kritysk konvoai (1951).
Hoewel hij geen gedichten meer schreef, volgde hij de dichtkunst wel. Met de tweetalige bloemlezing Frieslands dichters (1949), geschreven in opdracht van de landsregering, maakte hij de Friese literatuur in Nederland toegankelijker. Hij wilde met zijn bloemlezing de Friese dichtkunst ‘achter de kowesturten weihelje’ (‘achter de koeienstaarten vandaan halen’), wat weerspiegeld wordt in de keuze van gedichten.

Eerste proza

Wadmans debuut Fioele en faem gaat over het geïsoleerde bestaan van notarisklerk Jeen Joukes Offringa, onmachtig om relaties aan te gaan. Het is een taai boek, de handeling bestaat vooral uit wat de hoofdpersoon allemaal bedenkt. Het verhaal speelt, in afwijking van Friese romans uit die tijd niet op het Friese platteland, maar in Amsterdam. Door zijn afwijkende thematiek en setting kan het boek worden gezien as het begin van de moderne Friese literatuur, de boerenroman voorbij. De roman werd niet zo positief onthaald. Meer lof was er voor de novelle Reedridder (1949). Hier werd al de oppositie duidelijk die in Wadmans latere werk ook vaak speelt: die tussen de vitale doorpakker en de twijfelachtige intellectueel die teveel nadenkt, in dit geval geplaatst in het decor van de bruisende winterse schaatscultuur.

Academisch werk
Vanaf 1948 werkte Wadman als leraar Nederlands, een korte tijd in Heerenveen, daarna aan het stedelijk gymnasium Magister Alvinus in Sneek, waar hij zou blijven tot hij in 1971 de overstap maakte naar de lerarenopleiding Ubbo Emmius in Leeuwarden. In 1953 trouwde hij met Hylkje Goïnga, een oud-leerling van hem. Zijn eerdere huwelijk was na een paar jaar stukgelopen. Hylkje en hij kregen drie kinderen.
In 1953 verliet Wadman de redactie van De Tsjerne. De dieperliggende oorzaak was het verschil in visie over hoe ver de Friese literatuur verwijderd kon raken van de beweging en de doorsnee lezer. Wadman ging hierin verder dan de andere redactieleden en wilde ruimte geven aan de moderne, experimentele poëzie, die in die tijd in Nederland en ook in Friesland doorbrak.
Hij kreeg nu meer tijd om te werken aan zijn biografie over Hjerre Gjerrits van der Veen, een negentiende-eeuwse Friese onderwijzer, schrijver, journalist en volksopvoeder. Hij werkte er al sinds 1944 met tussenpozen aan en promoveerde in 1955. De door hem begeerde positie van bijzonder hoogleraar Fries in Amsterdam (en later ook in Utrecht) kreeg hij echter niet. Voor het faculteitsbestuur telde het Fries vooral vanwege het Oudfries, bedoeld voor filologen en juristen. Een benoeming van Wadman zou het belang van de moderne Friese literatuur hebben erkend, in die tijd nog een stap te ver. Daar komt bij dat men hem niet communicatief genoeg vond.

Kritisch aan de zijlijn
De jaren daarna was hij een erg productief en kritisch beschouwer van zowel de Friese als de Nederlandse literatuur. Hij publiceerde in het dagblad Het Vrije Volk, in de rubriek ‘Literair kwartier’ van de Rono en later ook wel weer in De Tsjerne.
Dertien verhalen bundelde Wadman in 1960 in Yn 'e lytse loege. De meeste hiervan hadden eerder in De Tsjerne gestaan. In zijn grote studie van het Friese korte verhaal uit 1977 stelt Trinus Riemersma dat de waarde van Wadmans verhalen ligt in de intelligente opbouw en psychologische diepgang, maar dat die eigenschap tegelijkertijd ook als bezwaar kan gelden: de psychologie is te dwingend en de opbouw te sluitend. Hoe dat ook zij, met Fioele en faem vormen Wadmans verhalen een breuk met de eerdere Friese prozaliteratuur, en zijn ze van grote waarde voor de ontwikkeling ervan.
In 1960 verscheen ook Wadmans tweede roman Hoe moat dat nou, Marijke?, door hemzelf aangeduid als een ‘bakvisroman voor volwassenen’. De roman beschrijft volgens het procedé van de soap de belevenissen van vier personages met vakantie op een waddeneiland, met alle liefdesintriges vandien.
De thematiek van Reedridder komt weer naar voren in De oerwinning fan Bjinse Houtsma (1962). Het vitale en vrije leven wordt daarin verbeeld in de verder schematische persoon van Bjinse Houtsma, waar hoofdpersoon Hindrik Visser, wikkend en wegend over de verschillende opties die het liefdesleven hem biedt, net tegenop kan. ‘Bjinse’ werd erg divers onthaald en gaf stof tot discussie, onder andere in Wadmans eenmanstijdschrift De Teannewâdder (1961-1963). In dit blad gaf hij zich rekenschap van zijn werk als prozaschrijver en dichter. De eindconclusie in 1963 was dat hij liever helemaal geen schrijver wilde zijn dan een middelmatige die alleen in Friese verhoudingen belangrijk was.

Bestseller
Wadmans schrijfdrang was echter groter dan zijn tegenzin, en niet lang na de bovengenoemde visie op zijn Fries schrijverschap schreef hij op Ameland in vijf dagen De smearlappen, een moderne versie van de traditionele boerenroman. De jonge boerendochter Eelkje wordt liefdeloos groot en is het slachtoffer van haar eigen verlangen naar liefde. Ze doet na afloop verslag in de vorm van een biecht, wat de zeggingskracht van het verhaal erg versterkt.
Het boek verscheen in oktober 1963 in pocketvorm, toen een nieuw verschijnsel, en sloeg in as een bom. Voor een aantal lezers was de voor die tijd openlijk beschreven seks een steen des aanstoots. Er werd over het boek gepraat en er verschenen ingezonden stukken in de krant. Dit had effect op de verkoop: de eerste druk van 1500 exemplaren was in drie weken uitverkocht; eind 1964 stond de teller op 6500. Over geen enkele andere Friese roman is zoveel geschreven en gepolemiseerd. Onder de beroepscritici waren de meningen verdeeld. Sommigen vonden dat het verhaal een te negatieve visie gaf op het leven, en dat Eelkje niet tegelijk onnozel en slim kon zijn. Anderen waardeerden het boek juist positief als een waarschuwing tegen liefdeloosheid. De expliciete seks werd in de Friese context wel als vernieuwend gezien, maar niet in vergelijking met de Nederlandse literatuur. In 1964 verscheen een vertaling in het Nederlands in de serie ‘Zwarte beertjes’ van uitgeverij Bruna. De verkoop beliep zo’n 30.000 stuks. De landelijke critici waren over het algemeen positief; ze waardeerden het boek vooral als een streekroman die een realistisch beeld van Friesland gaf.

Productieve jaren en docent aan lerarenopleiding
Na het verschijnen van De smearlappen ging Wadman door met schrijven. In de tien jaar die volgden kwamen er nog vijf romans. Het succes van De smearlappen zou hij niet weer halen, maar de qua vorm experimentele roman De feestgongers wordt tot zijn beste werk gerekend. In deze periode komt ook de oorlog als thema in zijn werk naar voren, meestal als een omstandigheid die mensen dwingt tot een keuze, wat de weifelachtigheid van Wadmans hoofdpersonages scherp doet uitkomen. In 1969 verscheen de bundel met autobiografische stukken Mei Abraham fûstkje.
In de tien jaar dat hij bij de lerarenopleiding Ubbo Emmius werkte, van 1971-1981, stond zijn literaire productie bijna stil. Zijn huwelijk met Hylkje Goïnga liep spaak, en vanaf 1981 woonden ze apart van elkaar. Het literaire werk van Hylkje Goïnga liet hem niet onverschillig. Vooral Frijende kikkerts uit 1986, dat hij in literair opzicht een klein meesterwerk noemde, dwong hem ertoe het autobiografische karakter ervan openlijk aan de kaak te stellen.

Vrij man
In 1981 ging Wadman met pensioen, wat hem de ruimte gaf opnieuw veel te schrijven Tussen 1982 en 1994 verschenen nog tien romans van wisselend niveau. Yn Adams harnas (1982) is een ambitieus boek met een politieke strekking dat de bedreigingen van de democratie laat zien in de zwakke en corrumpeerbare mens. De waardering voor dit boek is uiteenlopend. Jabik Veenbaas stelt dat het boek leest als een thriller. Steven H.P. de Jong oordeelt echter dat het boek teveel essay is om als roman te boeien en teveel roman om als essay gelezen te worden. Toegankelijk geschreven en goed onthaald is In bolle yn ’e reak (1985), een oorlogsroman die in 2009 met twee andere titels als omnibus opnieuw werd uitgegeven.

Wadman was ook een Simon Vestdijkkenner en hij publiceerde verschillende studies over deze schrijver. Het plan voor een Vestdijkbiografie samen met Hans Visser liep in 1984 vast, omdat de weduwe van Vestdijk er niets voor voelde. Naar haar oordeel hadden Visser en Wadman te weinig respect voor Vestdijks privacy.

Als taalkenner verzorgde Wadman een rubriek voor de Leeuwarder Courant en hij leverde bijdragen aan het wetenschappelijke tijdschrift Us Wurk. Voor het weekblad Frysk en Frij besprak hij vooral de nieuw verschenen Friese romans.Voor al zijn Friestalige romans kreeg Wadman in 1989 voor de tweede keer de Gysbert Japicxpriis. Toch nam deze erkenning zijn twijfel aan de betekenis van zijn fictioneel prozawerk niet weg, een twijfel die hij niet had bij zijn wetenschappelijk werk en zijn kritieken.
Door de jaren heen was de muziek zijn grote liefde, zowel klassiek als jazz. Hij had al jong leren viool spelen en was lid van verschillende orkesten. Daarnaast publiceerde hij over onderwerpen op het gebied van de muziek.

Bronnen voor dit stuk
De dissertaties van Joke Corporaal en van Babs Gezelle Meerbrug, de studie van Steven de Jong, de in memoriamartikelen uit 1997 en Zolang de wind van de wolken waait.

Bibliografie

Romans
1948: Fioele en faem
1960: Hoe moat dat nou, Marijke?
1962: De oerwinning fan Bjinse Houtsma (2de dr. 1984, 3de dr. 2014; in 1965 vertaald door de auteur, De overwinning van Bjinse Houtsma, in 1986in ‘grote letter’ editie bij Grootdruk-Uitgeverij Eindhoven bv)
1963: De smearlappen (6de dr. 1983, 9de dr. 2010; in 1964 vertaald door Sj. Spanninga, De smeerlappen, in 1965 in het Duits door G. Hermanowski, Elke und die Männer)
1964: Kûgels foar in labbekak (in 1966 vertaald door de schrijver, Kogels voor een labbekak)
1966: By de duvel to bycht (in 1968 vertaald door de schrijver, Bij de duivel te biecht)
1968: De feestgongers (in 1971 vertaald door de schrijver, De feestgangers, 2de dr. 1995)
1970: It rammeljen fan de pels. (in 1983 vertaald door Albert van der Meer en Anne Wadman, Een klein sadistisch trekje)
1973: As in lyts baeske
1982: Yn Adams harnas
1984: De verkrachting (Nederlands)
1985: Tinke oan âlde tiden
1986: In bolle yn 'e reak
1987: De terechtstelling (Nederlands)
1988: De frou yn 'e flesse
1990: De fearren fan de wikel
1991: Fjoer út in dôve hurd
1992: In ûnbetelle rekken (Boekenweekgeschenk nr. 4)
1994: In okse nei de slachtbank
2009: De oarloch fan Wadman (verzameling met Kûgels foar in labbekak, In bolle yn 'e reak en De fearren fan de wikel)

Novelle
1949: Reedridder

Verhalenbundel
1960: Yn 'e lytse loege

Poëzie
1945: Fan tsien wâllen (2de dr. 1946)
1945: Op koart front (2e dr. 1946)

Bloemlezingen
1949: Frieslands Dichters (bloemlezing uit Friese Lyriek sinds 1880 met vertalingen in het Nederlands, met ingeleiding en bio-bibliografie)
1950: Kleine keur uit Frieslands dichters sinds 1880 (met Fedde Schurer en D.A. Tamminga)
1960: Friese verhalen in het Nederlands (samengesteld en vertaald door Douwe Tamminga en Anne Wadman)

Overig
1945: De baenfager: algemeen Fries jongerenblad: één illegaal en één bevrijdingsnummer
1951: De Friesche kwestie, wat niet-Friezen ervan zeggen in kranten en tijdschriften, Anne Wadman en D.A. Tamminga
1951: Kritysk konfoai (essays)
1953: Fryske Fersleare (over poëzie)
1955: Hoorspel In gast op Liaukama-state (volgens het verhaal ‘It grouwe pak’ van Halbertsma)
1955: In skoalmaster yn 'e Dokkumerwâlden, libbensgong fan Hjerre Gjerrits van der Veen dissertatie)
1958: Schola Alvini, lotgevallen van de Latijnse school en het gymnasium te Sneek
1960: Friese verhalen in het Nederlands (Samengesteld en vertaald door Douwe Tamminga en Anne Wadman)
1965: Handdruk en handgemeen, leesavonturen met Simon Vestdijk
1969: Mei Abraham fûstkje
1979: Oer Obe Postma (met J.H. Brouwer, Fokke Sierksma, inleiding: A. Feitsma)
1984: Een hartversterking, de reacties op Vestdijks eerste dichtbundel, ingeleid en toegedicht door A. Wadman met medewerking van Gerben Wynia
1984: Biografisch Bijwerk, (Reeks 'Rondom S. Vestdijk') door Hans Visser en Anne Wadman, met medewerking van Willem Diemer en Gerben Wynia
1984: Knett'rend vuurwerk, Brieven aan S. Vestdijk, ingeleid en toegelicht door Hans Visser, Anne Wadman, Mick de Vries en Gerben Wynia, met medewerking van Xaviera Hollander
1985: 16. Deiboek 1936
1987: Stukjes uit de voortijd... Dat hij niet tot de minst critische personen behoort..., aan de nagedachtenis van mijn zeer gewaardeerde leraar Nederlands - S. M. Noach (1879-1944)
1987: De grote explosie, snuffelen in de marge van Vestdijks gedichten 1930-1932
1989: Veel meer dan tien geboden - over S.M. Noach (1879-1944)
1989: Dou sjochst it oars as ikke, een briefwisseling uit 1944- '45, Piter Terpstra en Anne Wadman (Byskriften nr.1)
1990: It kritysk kerwei. Resinsjes en skôgingen 1950-1970 (met bibliografie)
1994: Oer oarmans en eigen. Essayistysk en kritysk ferskaat. Mei bibliografy 1972-1994.

Eenmanstijdschrift
1961-1963: De Teannewâdder, 8 nummers

Toneel
1949: De kronyk fan Frija, met Abe Brouwer
1952: Prins Karnaval, een klucht van Roparz Hemon, in het Bretons, oorspronkelijke titel: Meurlarjez (vertaald uit het Engels)
1958: Spoekpastorij (met Hein Groeneveld, onder schuilnaam Rudmer Douma jr)
1959: As de kat fan hûs...(onder pseudoniem, Jelmer Wiegersma)
1962: In slet fan tsien dollar (naar J.P. Sartre)
1964: Omsjen yn lilkens (Look back in anger, vertaald naar John Osborne)
1973: In tútsje oer de toanbank (naar Brief Encounter van Noël Coward/Jack Dixon)
1990: Ynterieur (1894), Maurice Maeterlinck, vertaald uit het Frans

Anderen over Wadman en zijn werk (een selectie)

1957: J. Piebenga. Koarte skiednis fan de Fryske skriftekennisse
1976: D.A. Tamminga, Tekst en Utlis
1977: Tr. Riemersma, It koarte ferhael yn de Fryske literatuer fan de tweintichste ieu
1977: Sj. van der Schaaf. Skiednis fan de Fryske Biweging
1978: G.R. Zondergeld, De Friese beweging in het tijdvak der beide wereldoorlogen
1989: Anne Wadmannummer van Trotwaer (jg 21, nr. 6).
1997: Nieuwsbericht LC 07-02-1997
1997: In memoriam, LC 07-02-1997 deel 1 en deel 2
1997: Flippus Breuker, 'De Fryske wrâld is foller wurden. Ta oantins oan Anne Wadman', FD 10-02-1997.
1997: Pieter de Groot over Wadman, LC 14-02-1997
1997: Freark Dam over Wadman zijn poëzie, LC 14-02-1997
1997: Klaes Dykstra en Bouke Oldenhof. Lyts hânboek fan de Fryske literatuer (2de dr.)
1997: Babs Gezelle Meerburg, 'Ta in oantinken oan Anne Wadman', Trotwaer jg 29 blz. 4-6.
1997: Babs Gezelle Meerburg, 'Hwant wij binne it nijs ûnder en boppe de sinne'. De smearlappen fan Anne Wadman en Fabryk fan Trinus Riemersma as 'fernijende' Fryske romans. Proefschrift, Leeuwarden 1997.
2006: Zolang de wind van de wolken waait, hdst 6 en hdst 8.
2007: Steven de Jong. Ta in hichte, of de balke yn eigen each. Monografie over het literaire werk van Anne Wadman
2009: Joke Corporaal: Grimmig eerlijk: Anne Wadman en het probleem van de Friese literatuur. (proefschrift, online beschikbaar)

Prijzen
1952: Gysbert Japicxpriis voor: Kritysk Konfoai
1989: Gysbert Japicxpriis voor alle romans, met name voor In bolle yn 'e reak en De frou yn 'e flesse

Meer informatie over Wadman
G.R. Zondergeld, Biografisch Woordenboek van Nederland, artikel over Wadman.
Geart de Vries, Omrop Fryslân, interview, fragmenten
Wadman leest Lyts Heechliet, opname: 1959
Ferskate opnamen van Wadman uit het archief, RONO en Omrop Fryslân
Jelle van der Meulen, Friese literatuursite
Necrologie Tr. Riemersma, NRC 12-02-1997


Tresoar, 23-11-2014