Geboren 17-9-1917, Wartena
Overleden 28-6-1994, Groningen

Leven en werk

Jan Wybenga werd op 17 september 1917 geboren in Wartena. Hij groeide echter op in de Stellingwerven, nadat zijn ouders verhuisden naar de Oosterstreek, het oostelijk gedeelte van Noordwolde. In 1931 ging het gezin in Wolvega wonen. Het schrijven en dichten zat er bij Jan Wybenga al jong in. Toen hij een jaar of tien was, stuurde hij met succes (Nederlandstalige) gedichtjes in voor de kinderrubriek van de Leeuwarder Courant. Zijn vader, Albert Jan Wybenga, tekenleraar, journalist en ambtenaar bij Gemeentewerken, was een voorbeeld voor de jonge publicist. De postuum verschenen historische roman van zijn vader, De striid om Keulen, heeft veel lezers bereikt, maar hij heeft ook gedichten en verhalen geschreven en studie gemaakt van de verschillende Stellingwerver dialectvarianten. Ook heeft Jan Wybenga het tekentalent van zijn vader meegekregen. In zijn jeugdjaren heeft hij veel plezier beleefd aan tekenen en schilderen, wat onder anderen resulteerde in een aantal interessante zelfportretten. In navolging van zijn opa heeft Jan Wybenga voor het beroep van onderwijzer gekozen. Hij stond voor de klas in Het Bildt en werd in Wommels hoofd van de openbare school. Nadat hij de akte Nederlands (en Fries) M.O. had behaald, was hij van 1956 tot zijn pensioen leraar Nederlands aan de Rijks Pedagogische Academie te Groningen.
Als Fries dichter debuteerde Wybenga in 1947 in De Tsjerne , het literaire tijdschrift waarvan hij van 1953 tot 1955 redacteur was. Later maakte hij deel uit van de redactie van Alternatyf (1974 – 1977) en van Trotwaer (1980 – 1982).
De eerste gedichtenbundel van Jan Wybenga, Amoeben, verscheen in 1954. Vanwege het experimentele karakter van zijn poëzie – met name van de cyclus ‘Hurrel” achterin die bundel – keken de lezers eerst wat vreemd tegen zijn werk aan, maar de kritiek was over het algemeen zeer positief. Douwe Tamminga noemt het debuut van Wybenga “de beste poëziebundel die in onze taal na 1945 door jongeren is geschreven” en prijst verder “het evenwicht tussen eruptieve kracht en het zorgzaam beitelen aan de taal” . Ook anderen wijzen op de technische vaardigheid van de jonge dichter. Voor zijn tweede bundel, Barakkekamp (1962) kreeg Wybenga in 1965 de Gysbert Japicxprijs. Voor de tweede keer werd hij met die literaire prijs vereerd in 1977, toen voor zijn Lyts Frysk deadeboek (1974).
Wybenga toont zich niet alleen een modern dichter door de vorm waarin hij zijn gedachten gestalte geeft, maar ook door het levensgevoel dat uit zijn werk spreekt en dat dikwijls aan de negatieve kant is. Klaes Dykstra schrijft in zijn Lyts hânboek fan de Fryske literatuer (1977): “Rijm, klank en kleur zijn bij hem zeer belangrijke elementen om aan te geven, net zoals het dichtersbestaan bij hem eigenlijk ook maar niets is, dat alles doelloos en vergankelijk is”. Dat hoofdthema mag worden afgewisseld met dierbare herinneringen aan de jeugd of snedige ideeën en ironische kanttekeningen, ook in zijn latere werk is het dikwijls pijnlijk en benauwend aanwezig. Toch toont de dichter zich bij het ouder worden milder. Mededeelzaam en met gevoel voor humor kijkt hij in de bundel Easterstreek  terug op het land en de mensen van zijn jeugd. Hij doet dat alleen maar in achtregelige verzen, daarmee ‘en passant’ bewijzend dat zijn vrije gedichten van vroeger een bewust gekozen vorm hadden en niet uit onvermogen om zich aan de discipline van vormregels te onderwerpen, of uit gemakzucht, op die manier op papier waren gezet. Ook in zijn dichtbundel, De Foskejacht (1989) zijn de verschillende eisen van metriek en rijmschema’s hem tot troost, zonder echter de spontane uiting aan de vorm ondergeschikt te maken. De poëzie van Jan Wybenga houdt toch een stromend, lyrisch karakter, of hij zich nu in vrije, rijmloze verzen uit of in balladen, copia’s en haiku’s.
Macht over de taal blijkt ook uit de vertalingen van een aantal gedichten van C. Valerius Catullus die hij met de classicus Sybe Sybesma in het Fries heeft overgebracht.
Behalve zijn essays, beschouwingen en recensies – Jan Wybenga schreef voor de Leeuwarder Courant  precies honderd boekbesprekingen – heeft hij niet veel proza geschreven. In 1981 verscheen Moai waar en lange dagen met jeugdherinneringen. Het al te persoonlijke wordt daarin afgeschermd door de relativerende, dikwijls komische, wijze van vertellen. Op die manier maakt Jan Wybenga ook in zijn autobiografische verhalen het credo waar, dat hij in De Foksejacht zo verwoordt: “Ik houd het bij spelen: wat ernst heet is een masker zonder waarde”.
Jan Wybenga is op 28 juni 1994 in Groningen overleden.

Literatuur
1968:  Jo Smit. De Fryske literatuer 1945-1967. De Tsjerne 1968/4 (essay)
1971: Tiny Mulder. Hwer hast it wei? (interview)
1972: Tekst en Utliz (Steven H.P. de Jong)
1992: Jan Wybenga-nûmer Hjir, 1992, nû. 4-5 
 
Werk

Dichtwerk
1954: Amoeben
1962: Barakkekamp
1973: Kj3
1974: Lyts frysk deadeboek (2de pr. 1977)
1982: Easterstreek
1989: De Foksejacht
1993: Grien en koaningsblau
1994: Fergetten Fersen
2012: Samle fersen (Verzameld werk, met cd en catalogus beeldend werk)
 
Proza
1981: Moai waar en lange dagen - Fiif provinciales
1998: It hûs en oar neilitten wurk (Postuum verschenen, bezorgd door Goaitsen van der Vliet)
 
Vertaling
1987: Carmina Nonnulla. C. Valerii Catulli. Vertaling met Sybe Sybesma naar het werk van Catullus (2de pr. 2000)
 
Prijzen
1965: Gysbert Japicxpriis voor Barakkekamp
1977: Gysbert Japicxpriis voor Lyts Frysk deadeboek
 
Tresoar © 8 maart 2005