Geboren: 13-10-1893, Ferwerd
Overleden: 1-1-1968, Franeker

Leven en werk

Eeltsje Boates Folkertsma werd in Ferwerd geboren. Zijn ouders, Boate Eeltsjes Folkertsma en Meiltsje van Dijk hadden daar een kruidenierszaak.

Hij heeft in Ferwerd gewoond totdat hij als jonge onderwijzer naar Drachten verhuisde. Aan de christelijke kweekschool in Dokkum leerde hij voor onderwijzer, zijn eerste baan in het onderwijs had hij ook in Dokkum, aan de christelijke mulo. Na enkele jaren in Drachten te hebben gewerkt en gewoond, kreeg hij een benoeming in De Gaastmar (1921 – 1926). Folkertsma is in het onderwijs niet helemaal op zijn plaats geweest, in 1926 heeft  hij zijn baan opgegeven om daarna zijn tijd en inzet geheel aan de Fryske beweging te kunnen wijden. Al op jonge leeftijd was E.B. Folkertsma geraakt door de idealen van de Fryske beweging, in 1911 werd hij lid van het Kristlik Frysk Selskip (KFS), waarvan hij in 1924 voorzitter werd. Al in 1913 verscheen zijn vertaling van de Johannesbrieven in het tijdschrift van het KFS, De stim fan Fryslân. In 1915 sloot hij zich aan bij de toen pas opgerichte Jongfryske Mienskip van Douwe Kalma. Zijn ideeën over de culturele en politieke toekomst van Fryslân en over de ontwikkelingen in taal en kerk kon hij kwijt in De stim fan Fryslân.
Folkertsma kwam al snel in de redactie van het blad, eerst als redacteur, later als hoofdredacteur. Bijna veertig jaar heeft hij leiding gegeven aan het blad, waarvoor hij  een groot aantal artikelen heeft geschreven. Daarnaast was hij actief als cursusleider. Na de oorlog kreeg Folkertsma weer een regulier inkomen; toen als redacteur van het Friesch Dagblad, al werd dat nooit een fulltime baan.
Als mens was Folkertsma een man van grote tegenstellingen, hij was tegelijk leider en dienaar, eenvoudig en trots. Toen hem in 1959 de Gysbert Japicxprijs werd toegekend voor zijn essay-bundel Eachweiding, heeft hij die prijs geweigerd. Naar buiten toe gaf hij daarvoor als reden op dat zijn werk toch niet meer werd gelezen, maar aan zijn vriend Geert Jonkman bekende hij dat zijn hoogmoed hem verbood om de prijs aan te nemen.
Zijn hele leven heeft Folkertsma een innerlijke strijd gevoerd met het vraagstuk van de antithese: is, in tegenstelling tot het menselijk inzicht, het christelijk beginsel richtlijn voor het totale, dus ook politieke leven, en als dat zo is, welke consequenties heeft dat dan?  Van de orthodoxe christen Folkertsma moest die vraag bevestigend worden beantwoord, maar van de Fries-nationaal denkende Folkertsma leidde dat tot vragen als hoe het in dat licht de Friese natie moest worden bekeken en tot welke uitkomsten dat dan zou leiden. Volgens zijn mening was de natio frisica door God zelf verordonneerd. In zijn artikel over het beginsel van het Kristlik Selskip  (In ús eigen taal, jrg. xx, pag.98) schrijft hij: ‘Hier worden de diepste vragen van de natio frisica gesteld en beantwoord. Waar komt Fryslân vandaan? En hoe bestaat het? En waar gaat het naartoe? Wat is zijn oorsprong, zijn wezen, zijn toekomst. Niemand kan het antwoord geven, maar God heeft eens geantwoord en antwoordt altijd, met de heldere stem van het woord, dat niet kan liegen’. In het begin konden Folkertsma en Kalma elkaar wel vinden in hun Fries-nationale ideeën, naar het scheen. Al gauw kwam er echter verwijdering in de opvattingen van de beide heren en gingen hun wegen uiteen. Kalma richtte zich met name op de Friese cultuur, terwijl Folkertsma als christen-nationalist van mening was dat ook de politieke strijd een rol moest spelen. In 1920 begon Folkertsma met een eigen tijdschrift, Tsjûgenis, waarin hij zijn ideeën kwijt kon. Er stonden niet alleen artikelen van zijn hand in het tijdschrift, maar ook anderen, zoals Fedde Schurer en R.P Sybesma. Lang heeft Tsjûgenis  niet bestaan, al in 1922 hield Folkertsma er weer mee op.
E.B. Folkertsma, bekend onder zijn initialen E.B.F., ontwikkelde zich tot essayist met een groot stilistisch vermogen. De onderwerpen waarover hij schreef, lagen op het gebied van de Fryske beweging, politiek, kerk, kunst en literatuur en dan met name in relatie tot Fryslân en de Friese taal. Ze werden gewaardeerd om hun literaire waarde, inhoudelijk zijn ze onderwerp van scherpe kritiek en felle discussie geweest. Historicus Durk Nota schreef daar in een speciaal nummer van het literaire tijdschrift Hjir  (september 1984, nummer 4) over, met de titel ‘De eeuwige kroonprins van het Friese nationalisme – De tragiek van een wereldvreemde Messias (1893 – 1968) – Tot de ideologie van de Friese Beweging’. Hij constateerde dat Folkertsma het leidersbeginsel, verankerd in een autoritaire staat, zijn leven lang  heeft verdedigd en verkondigd. Twintig jaar eerder had Bauke de Jong in Asyl (1965, nummer 2), een opstel gepubliceerd onder de titel ‘E.B. Folkertsma, de dorpsgek als essayist’. Beide auteurs wezen ook op de racistische en antisemitische kant in het denken van Folkertsma. De visies van De Jong en Nota waren op hun beurt ook weer onderwerp van felle discussie. Abe de Vries refereerde in zijn serie artikelen over Douwe Hermans Kiestra, die hij publiceerde in het internet-tijdschrift Farsk (2004, nummer 35) over de artikelen van beide hiervoor genoemde publicisten. Hij concludeerde, ‘Beide auteurs hadden echter niet veel oog voor de spanningsvelden in Folkertsma zijn denken en zijn opinies werden te weinig in de geest van zijn tijd gezet’. Folkertsma heeft met G.A. Wumkes vele jaren gewerkt aan de Friese vertaling van de bijbel, de vertaling werd in september 1943 aangeboden.
Hoewel Folkertsma veel publicaties op zijn naam heeft staan, heeft hij zelf nooit fictie gepubliceerd; hij heeft twee keer getracht een roman te schrijven (Bruid van Christus en In de schaduw van de kerk), maar beide zijn niet voltooid. Hij heeft enkele gedichten en korte verhalen geschreven, een selectie van door hem verzamelde en bewerkte Friese volksverhalen zijn in 1967 onder de titel Wite en reade roazen verschenen. Selecties uit zijn essays zijn geregeld in boekvorm gebundeld: Toer en Tsjerke (1934), Swier Lok (1938) en Eachweiding (1950).
In 1970 verscheen er een bundel opstellen over het leven en werk van E.B. Folkertsma onder de titel Man en wurd. De bundel Hûs op wyn en brânwacht verscheen in 1983, het boek bevat een selectie van essays. Folkertsma stierf op nieuwjaarsdag 1968 in Franeker, 74 jaar oud.

Werk: een selectie uit zijn publicaties
1934 : Toer en tsjerke (samling essays) (Kerk en toren) (verzameling essays)
1938 : Swier Lok (samling essays) (Groot geluk) (Verzameling essays)
1946 : De Christen Gysbert Japicx (Frisia rige, 38-39)
1950 : Eachweiding (samling essays) (Uitzicht???)
1967 : Wite en reade roazen (samling Fryske folksferhalen), (Witte en rode rozen) (verzameling Friese volksverhalen)
1983 : Hûs op wyn en brânwacht (samling essays)

Prijzen:
1959 : Gysbert Japicxpriis foar bondel essays Eachweiding (priis wegere) Gysbert Japicxsprijs voor de bundel essays ……. (prijs geweigerd)

Tresoar © 15-10-2007