Geboren: 29-07-1914, Eastermar
Overleden: 9-07-1991, Drachten

Leven en werk

Dam Jaarsma werd geboren op 29 juli 1914 in Eastermar (dat is Oostermeer; zijn voornaam is voluit Adam Aukes). Hij was de jongste van vier kinderen, na Geartsje en de tweeling Okke en Eelke.

Eelke overleed als kind aan een longontsteking. Het gezin woonde in een burgerhuis aan wat nu de E.M. Beimastrjitte heet; grootvader Adam Jaarsma had dat in 1908 gekocht. Vader Auke had er een boerenbedrijf annex fouragehandel. Het gezin was bemiddeld en had ook inkomen uit grondbezit. Dams moeder Hinke Bosgra was erg muzikaal, ze speelde piano en kende veel klassieke liederen, Schubert was haar favoriet.

Dam volgde de openbare lagere school in Eastermar. Een van de meesters of juffen leerde hem Fries schrijven, ongebrukkelijk in die tijd. Dam was een goede leerling en kwam na een paar jaar op de mulo in Burgum via een toelatingsexamen in de tweede klas van de Rijks-HBS in Drachten (tegenwoordig Drachtster Lyceum Singelland). J.J. Spahr van der Hoek, de latere historicus, zat een klas lager op dezelfde school. Hij verzorgde samen met J. van der Kooi en Ph.H. Breuker in 1987 een bloemlezing uit Jaarsma’s werk als verzamelaar,’sneuper’, onderzoeker en volkskundige, ingeleid met een levensschets. Daaraan is veel uit deze biografische tekst ontleend.

Jaarsma viel op onder zijn leeftijdsgenoten, hij viel buiten elke categorie. Spahr verhaalt dat dat in zijn jeugd al duidelijk werd. Jaarsma was geen haantje de voorste die zichzelf in de kijker wilde spelen, maar in zijn hele wezen was hij ouder dan zijn klasgenoten, hij viel echter niet buiten de groep. Hij had een scherpe geest, maar ‘was niet altijd op het moment betrokken’, kon goed formuleren en zijn plezier aan geschiedenis, taal en literatuur was groot; hij was een echte alfa. Ondanks zijn goed verstand doubleerde hij op de HBS een klas. In 1934 deed hij eindexamen. Daarna volgde hij drie sporen: theologie, volkskunde en literatuur.

Theoloog
Theologie was de studie voor wat later zijn beroep en bron van inkomsten zou worden. Daarvoor moest hij eerst staatsexamen Grieks en Latijn afleggen. In 1938 kon hij naar de Universiteit in Groningen.
Zijn studie liep vast in de oorlog, maar hij had intussen wel zijn ‘semi-kandidaats’ gehaald, wat hem de bevoegdheid gaf om te werken als hulpprediker en als godsdienstleraar. Toen hij na de oorlog de kans had om zijn studie af te maken en daartoe ook door zijn ouders werd aangespoord, had hij er geen plezier meer in en wilde hij zich niet verder in theologie verdiepen. Als hulpprediker kreeg hij een baan in Delfzijl en in het nabijgelegen Holwierde (waar volgens overlevering in de vroege Middeleeuwen de blinde Friese zanger Bernlef aktief was). Later werkte Jaarsma in Eastermar en omstreken – Rottevalle, Opeinde, Drachtster Compagnie – als preker en catecheet. Hy was ook godsdienstleraar aan de mulo in Kollum. In zijn theologische opvattingen was Jaarsma betrekkelijk vrijzinnig. Al die tijd woonde hij in het ouderlijk huis in Eastermar, na de dood van zijn ouders eind jaren veertig samen met zijn broer Okke, die het boerenbedrijf van heit voortzette.

Volksverhalen verzamelen
Vanaf 1948 publiceerde Jaarsma volksverhalen die hij in zijn eigen streek had opgevangen. Dat viel op. In die tijd gold het adagium ‘Het sprookje is dood’. Op verzoek van de Wâldekommisje van de Fryske Akademy begon Jaarsma systematisch te verzamelen; zo toonde hij aan dat de slogan over het dode sprookje niet waar was, althans niet waar het de Friese Wouden betrof. Hij verzamelde allerlei genres verhalen die in de mondelinge overlevering circuleerden: wondersprookjes, sagen, grappige vertellingen, anekdoten, moppen. Dat gaf de aanzet tot verder onderzoek. Jaarsma reisde zijn informanten af op de fiets, wat zijn actieradius niet zo groot maakte. Voor zijn werk kreeg hij speciaal de beschikking over een bandopnameapparaat, in de jaren vijftig van de vorige eeuw nog een zeldzaam stuk techniek.
Door zijn innemendheid wist Jaarsma het vertrouwen te winnen van de mensen van wie hij de verhalen optekende en hij ontdekte grote vertellers, zoals meesterverteller Anders Bijma van Boelenslaan. Jaarsma verzamelde niet alleen verhalen, maar ook liedjes en liederen, bijvoorbeeld van de zanger Fokke Alma.
Van der Kooi is van mening dat Jaarsma zich ontwikkelde tot een verzamelaar van Europees niveau. Hij publiceeerde niet veel van zijn materiaal, behalve in de tijdschriften It Heitelân en de Strikel. Maar hij legde wel de context van de verhalen vast, zoals zegslieden, hun afkomst, sociaal-economisch milieu, en hij deed moeite de verspreiding in ruimte en tijd vast te stellen. Als oorzaak voor het feit dat juist in de Friese Wouden, ‘op de heide’, zoveel verhalen bewaard gebleven zijn, noemt Jaarsma de omstandigheid dat de mensen daar altijd samen waren, ook bij het werk op het land. Tijdens dat werk vermaakten ze elkaar door verhalen te vertellen.

Werken voor het Meertens Instituut
In 1965 kreeg Jaarsma het verzoek van de KNAW (Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen) om ook te verzamelen voor het Meertens Instituut, het bureau voor Volkskunde. Twaalf jaar later was van de 32.000 verhalen in de databank van het Meertens Instiuut, verzameld uit heel Nederland, de helft afkomstig van alleen Dam Jaarsma. Maar een uitgave van al dat werk maakte hij in zijn leven niet meer mee. Volgens Van der Kooi was Jaarsma in zekere zin het slachtoffer van zijn eigen verzamelwoede: het verwerken kon zo snel niet worden uitgevoerd, zodat relatief weinig van zijn werk werd gepubliceerd. Wat ook een rol kan hebben gespeeld is dat Jaarsma zich ervan bewust was dat zijn zegslieden soms niet meer zo lang te leven hadden. Als hulpprediker gebeurde het meer dan eens dat hij de rouwdienst moest leiden van een van de mensen van wie hij verhalen had opgetekend. Een derde factor is dat Jaarsma zijn materiaal alleen maar mocht publiceren onder auspiciën van het Meertens Instituut. Dat slaagde er niet in de grote plannen tot publicatie te verwezenlijken. In 1984 verklaar J.J. Voskuil, hoofd van de afdeling Volksunde, nog dat de collectie Jaarsma in 15 delen zou worden uitgegeven. Dat voornemen werd later door de tijd ingehaald; de collectie zou niet op papier, maar op de website van het Meertens verschijnen. Overigens, Voskuil werd later zelf bekend door zijn romancyclus over het Meertens Instituut, Het Bureau. Jaarsma is daarin vereeuwigd als de sober levende J.J. Damsma, die een hekel heeft aan gereken en eigenlijk geen geld wil hebben voor al zijn werk (zie artikel van Chiel Evers, Leeuwarder Courant 25-07-1998, deel 1 en deel 2).

Schrijver
Jaarsma was een schrijver in hart en nieren. Toen hij op de middelbare school zat hield hij al een dagboek bij. De gedeelten van mei en juni 1932 (hij was toen 17 jaar) publiceerde hij vijf jaar nadien anoniem in het weekblad Sljucht en Rjucht. Het waren lyrische stukken over de bloemenpracht van de lente in de Wouden, het ellendige huiswerk dat hem dwong binnenshuis te blijven en ook al de volksverhalen die hij had gehoord. In 1933 publiceerde hij onder eigen naam in Sljucht en Rjucht, als leerling van de vierde klas van de HBS. Het verslag van een schoolreis met als titel Nei Amsterdam verscheen eerst in de Drachtster Courant, in 1933 gaf uitgever Laverman het uit als apart boekje. Alles meteen in het Fries: Jaarsma’s wereld was Fries, hij beheerste het schrijven in zijn moerstaal, en om gesprekken in het Fries weer te geven kon hij ook niet anders dan Fries schrijven.
Het eigen literaire werk van Jaarsma is allesbehalve elitair. Het is eenvoudig en toegankelijk, va neht type dattegenwoordig bekendstaat als ‘voor een breed publiek’, in eerder tijd ‘volksaardig’. Hij was erg productief en zijn gedichte nwerden overal geplaatst. Fan 1948-1965 en na1977 nog een poosje, stonden ze ook in de Leeuwarder Courant. Opvallend was de verluchtiging met knipprenten van de knipprentkunstenares Gretha Zijl uit Appingedam, die hij in Deflizjl hadleren kennen. Een bundeling van zijn werk verscheen in 1956 met als titel It skriuwboerd (‘Het schoolbord’). In 1957 volgde het Frysk blomme-alfabet, door Freark Dam gekwalificeerd als ‘eeuwig mooi’: een bundel abc-gedichten over bloemen, elk gedicht geïllustreerd met een knipprent van Gretha Zijl

Jaarsma publiceerde ook teksten voor kinderen. Bij uitgeverij Miedema verscheen in 1963 het prachtig verzorgde boek Meiinoar nei mearkelân (‘Met z’n allen naar Sprookjesland’) waarin twintig volkssprookjes uit alle hoeken vnade wereld. Daarnaast verschenen er ook losse uitgaven van één sprookje, zoals De Ljouwerter muzikanten, beter bekend als ‘de Bremer stadsmuzikanten’. Hij vertelde het sprookje zoals hij het zelf als kind van zijn opahad gehoord. Daarnaast ook bundels met dierenverhalen voor kinderen, geïllustreerd door Aizo Betten.
Ook als toneelschrijver was Jaarsma actief, in de jaren vijftig schreef hij in samenwerking met Jelle van der Meulen meer dan twintig stukken, vooral eenakters. Als beste gelden Rinte en Fremer, die in die tijd tussen de 70 en 100 keer zijn gespeeld.
Breueker concludeert bij het herlezen van Jaarsma’s werk da ter een glans van zondagmiddagsrust over ligt, hij kwalificeert het als negentiende-eeuws en traditioneel.

Andere activiteiten
In de jaren vijftig was Jaarsma vaste medewerker en later eindredacteur van het maandblad It Heitelân, dat verscheen bij Brandenburgh in Dokkum. In 1958 ging dat over in De Strikel, uitgegeven door Laverman in Drachten. Jaarsma was er nog twaalf jaar redacteur, tot hij in 1970 uit de redactie ging vanwege zijn toenemende doofheid.

Verdere levensloop
Het ouderlijk huis was Jaarsma’s vaste basis. Bezoekers vertellen dat het een sfeer uitademde als had de tijd er stilgestaan, en door de verzamelwoede van zijn bewoner veranderde het steeds meer in een soort streekmuseum met belendend pakhuis. Jaarsma verzamelde niet alleen verhalen uit de volksoverlevering, maar ook realia. Als jongen was hij al gek op ansichten; hij reisde tweedehands boekwinkels en uitdragerijen af om boeken en snuisterijen. Hij had een voorliefde voor kinderboeken van voor 1900. Jaarsma woonde samen met een huishoudster. Zijn broer Okke overleed in 1983; hij woonde al sinds 1970 in een pension in Appelscha.
Jaarsma’s neefjes, die ‘op It Wytfean’ woonden ten oosten van Eastermar, gingen in het dorp naar school en kwamen tussen de middag geregeld langs. Een van hen, Jabik, herinnert zich nog hoe hij als kleine jongen voor oom Dam postzegels moest halen in het postkantoor; niet zomaar tien of twintig, maar hele vellen tegelijk, wat een indicatie geeft van de grote correspondentie die Jaarsma onderhield. Omdat Jaarsma zelf niet meer aan het uitgeven van zijn werk toekwam, deden anderen dat. De publicatie van de eerder genoemde bloemlezing Ut it gea fan sterke Hearke (‘Uit de streek van Sterke Hearke’ [uitspr: Jerke]) in 1987 was tegelijk ook een eerbetoon aan de man die zichzelf meestal niet naar de voorgrond drong. Een volgend eerbetoon viel hem ten deel toen de gemeente Tytsjerksteradiel hem in 1989 bij zijn 75ste verjaardag de erepenning van de gemeente toekende. Hij overleed in de zomer van 1991.

Uit wat mensen over Jaarsma hebben gezegd en geschreven komt een persoon naar voren die kan worden gekarakteriseerd als een sobere en authentieke man, met open oog en oor voor de wereld om zich heen, erudiet op de gebieden die zijn belangstelling hadden, een doorzetter, man van de gemeenschap maar ook een studeerkamergeleerde, ‘frieszinnig’ maar met grote afkeer van doordrijverij en haarkloverij, innemend, met een zeker natuurlijk gezag en tegelijk bescheiden.
Bovendien een introvert man als het ging om wat hem ten diepste bewoog, in het besef, zoals hij dat zelf verwoordde, dat een mens uiteindelijk zijn levensweg alleen aflegt, totdat de Eeuwige aan het eind de balans opmaakt. ‘Hwant it geheimste fan dyn hert / forriedstû nimmen net’, (‘Want het grootste geheim van je hart / verraad je niemand niet’), een citaat uit het gedicht ‘Allinne’ dat in zijn geheel is afgedrukt bij de rouwadvertentie van zuster en ‘oomzeggers’. Jaarsma’s levenswerk ligt opgeslagen in het Meertens Instituut en is toegankelijk voor iedereen die het weet te vinden.

Belangrijkste gebundelde werk

Proza
1933: Nei Amsterdam
1987: Ut it gea fan Sterke Hearke. In kar út it fersprate wurk fan Dam Jaarsma
2014: Mearkes út 'e Wâlden

Voor kinderen
1954: Fan in âld wyfke, in pankoek en in baarch, [ ‘Over een oud vrouwtje, een pannenkoek en een varken’, ook uitgegeven in drie Noord-Friese dialecten] 2de dr. 1981
1963: Fan bern en beesten. [ ‘Over kinderen en beesten’]
1963: Meiinoar nei mearkelân.
1972: De Ljouwerter muzikanten, in hiel âld teltsje fan fjouwer trouwe freonen
1974: In boek fol bisten. [Kinderversjes over dieren, op abc]
1980: Fan in hin en in foks. In âld teltsje [‘Over een kip en een vos’, een oud verhaal]

Poëzie
1956: It skriuwboerd. Met knipprinten van Gretha Zijl
1957: Frysk blomme-alfabet. Met knipprinten van Gretha Zijl

Toneel
1953: Rinte [Stuk in vier bedrijven]
1954: Fremer [Stuk in drie bedrijven]. Met Jelle van der Meulen

Verzameld materiaal in het Meertens Instituut
[link]

Anderen over Dam Jaarsma en zijn werk

Zie onderaan bij de Friese versie van deze schets

© Tresoar, 10-05-2013