Geboren: 5-02-1933, Harich
Overleden: 14-02-2015, Zeist

Leven en werk

Jelle de Jong werd geboren als oudste van acht kinderen in een boerengezin in Harich. Op zijn achttiende verliet hij Fryslân en vestigde zich in Utrecht om een studie theologie te volgen.

De eerste plaats waar hij dominee werd, was in het Belgische Geraardsbergen, een stadje midden in het Vlaamse land, aan de rivier de Dender. Na Geraardsbergen stond hij in Brugge, Eindhoven, Den Haag en Rotterdam. Na zijn emeritaat bleef hij wonen in Rotterdam.

In Fryslân is Jelle de Jong bekend geworden als een van de experimentele dichters die in de jaren vijftig voor een ommekeer in de Fries literaire wereld zorgden.
Zijn eerste gedichten verschenen in It Heitelân, De Golle, De Tsjerne  en de Frysk Studinte Almanak.
Door studiegenoot Klaas Bruinsma, later bekend als vertaler, maakte De Jong kennis met jonge dichters die zich afzetten tegen het werk van de gevestigde Friese literatoren rond het tijdschrift De Tsjerne.  De groep dichters, waaronder Marten Brouwer (1929–2001), Sybe Sybesma (1924–1986), Steven de Jong (1935) en Hessel Miedema (1929) wilden het sonnet, het rijm en alle vaste vormen afschaffen. Poëzie moest niet alleen meer over hoge en mooie dingen gaan, maar de dichters wilden ook ‘gewone’ dingen tot onderwerp van hun gedichten maken. Zij wilden bovendien ook schrijven over liefde en seksualiteit. Dat was voor veel mensen in Fryslân een stap te ver.
Toen het debuut van Jelle de Jong Ut ‘e pas (1958) verscheen, de eerste experimentele bundel in de Friese poëzie, struikelden de recensenten van de ‘oude’ garde dan ook bijna over elkaar heen in hun afkeuring. De Jong verwoordde in een gedicht zijn streven zo: ‘mijn gedichten zijn smalle vissersboten van rebelse geest/ hun masten liggen onder de kanonnen van publieke meningen/ zij vallen aan op schepen van tradities’. Dr. Klaes Dykstra schreef in zijn Lyts hânboek fan de Fryske literatuer  (1997): “Deze gedichten zijn stuk voor stuk ontkenningen van de oude tradities. Hoewel hen zo nu en dan een zekere lyrische toon niet kan worden ontzegd, zijn zij meer protest als dierbaar product. Zij spiegelen wanorde en primitiefheid, scheppen op een onmuzikale wijze een anti-idylle (Fryslân) met een kras hier en een haal daar. Het is dichten aan de meet van het bestaan, waarin orde noch regel wordt verdragen’. Fedde Schurer liet in zijn bespreking niet veel heel van de bundel, hij had het over een ‘psychoanalytische dweil’, Lolle Nauta kwalificeerde de bundel als ‘pseudo-poëtische warboel’ en Douwe Tamminga meldde in zijn radiobespreking voor de RONO dat hij geen begrip voor de gedichten in de bundel kon opbrengen.
Later draaiden de recensenten hun mening behoorlijk bij, Schurer heeft zelfs een tweede, veel positievere beoordeling geschreven ( Friese Koerier, 12-10-1961). De herrie leverde De Jong de geuzennaam ‘greve’ op (met een knipoog naar ‘keizer’ Lucebert), aangedragen door zijn maten Marten Brouwer, Hessel Miedema en Lambert Mulder.

In 1954 ontstond in studentenkringen in Amsterdam het experimenteel literair tijdschrift Quatrebras, als opvolger van De Golle, dat maar een jaar heeft bestaan. Jelle de Jong vond in het tijdschrift een podium voor zijn poëzie. Later heeft hij ook een poos deel uitgemaakt van de redactie van het blad. Quatrebras  ging in 1969 met De Tsjerne en Asyl  verder als Trotwaer.
De Jong schreef naast poëzie ook toneel; zijn absurdistisch toneelstuk ‘Ien doar wie iepen’ werd opgevoerd op het Fries Studentencongres in Franeker (1958), gespeeld door leden van het Amsterdams studentengezelschap Cygnus Resurgens. Het thema van het stuk, het onvermogen van mensen zich open te stellen voor de wereld en de medemens, wordt pijnlijk duidelijk in het bij elkaar langs praten van de hoofdpersonen. Na het uitkomen van Ut ‘e pas, verschenen er nog enkele gedichten van De Jong in de verzamelbundels Op fjouwer winen  (1961) en Skande skande sûnde sûnde  (1965).

Het zou tot 1996 duren voordat er weer een uitgave van de hand van Jelle de Jong zou verschijnen. Toen kwam zijn tweede bundel Yn ‘e spegel uit. Die tweede bundel riep lang niet zoveel weerstand op als de eerste. De recensenten zagen de vernieuwing die zo tekenend was voor zijn eerste bundel, niet terug in de tweede. Tjitte Piebenga typeerde het verschil in zijn recensie zo: ‘Echter, er is nogal wat onderscheid tussen deze beide bundels. Is Ut ‘e pas jeugdig-bezwerend van toon, magisch her en der en evocatief, om het maar eens deftig te zeggen., Yn ‘e spegel  is meer ingetogen, afstandelijk en veel meer aan de contemplatieve kant. En zo hoort dat, denk ik’ ( Leeuwarder Courant,  17-05-1996).

Zijn derde bundel, Ik haw fochten mei myn soan, kwam in 2008 uit. Terugkerend thema in de bundel is dat van de pelgrim, het vervreemd zijn. Vervreemd van Fryslân, van Leeuwarden en het vervreemd zijn van zijn zoon. Die zoon, die in Amerika woont, is in zijn jeugd teleurgesteld geraakt in de vader en kan daar niet los van komen. Vader en zoon proberen dat wel, maar het loopt steeds weer op een confrontatie uit.

Werk

Poëzie
1958: Ut ’e pas
1996: Yn ’e spegel
2008: Ik haw fochten mei myn soan

Meer informatie over de dichter en zijn werk
Tjitte Piebenga, recensie tweede bundel, LC 17-05-1996 diel 1 en diel 2
Sietse de Vries, vraaggesprek  LC 28-03-2008
Harmen Wind, recensie derde bundel, LC 28-03-2008
Jelle van der Meulen, Friese literatuursite
Babs Gezelle Meerburg, Zolang de wind van de wolken waait, Hdst 6, p.147
Mensenlinq overlijdensadvertentie

Tresoar, 23-04-2009 / bijgewerkt 20-12-2015