Geboren 3-4-1896, Boksum
Overleden 18-10-1953, Leeuwarden

Leven en werk

Douwe Kalma werd op 3 april 1896 in Boksum geboren en groeide op in Deersum. Zijn ouders kwamen beide uit een boerengeslacht. Kalma ging in Sneek naar het gymnasium, waar hij  kennis maakte met de Hellenistische cultuur. Nederlands kreeg hij van Piter Sipma, die toen al zeer actief in de Friese kringen was. In die jaren moet Kalma de keuze hebben gemaakt voor het Fries. Hij debuteerde in 1913 in Sljucht en Rjucht.

In 1914 begon Kalma met kritieken in de Leeuwarder Courant.  Hij pleitte daarin voor ‘persoonlijke’ kunst en wees de ‘volkspoëzie’ radicaal af. Ook op het gebied van de Fryske Beweging wilde hij vernieuwing. Het ‘Ald Selskip’ was hem te conservatief en te gedwee.

Om aan zijn idealen vaste vorm te geven richtte hij op 20 november 1915 met Reinier Regenbogen, Rintsje Sybesma, Bokke Pollema, Meint Bottema, Klaske Sipma en Piter Sipma de Jongfryske Mienskip op. Het hoogste aantal leden, ruim 700, bereikte de Mienskip in 1919.  In zijn brochure De Jongfryske Biweging  (1915) en zijn rede Fryslân en de wrâld (1916) gaf Kalma aan, dat Fryslân afstand moest doen van het provincialisme en een brugfunctie kon vervullen tussen de Angelsaksische en Scandinavische cultuur. In Frisia, het tijdschrift van de Mienskip, nam Kalma vertalingen op en besprak hij boeken uit het buitenland. Voor het Jongfrysk Toaniel, dat moest laten zien dat er in Fryslân meer mogelijk was dan alleen kluchten en blijspelen als toneel , schreef Kalma o.a. Kening Aldgilles  (1920) en voor het Jongfrysk Sjongkoar leverde hij liedteksten. In de op de Waddeneilanden gehouden kampen van de Mienskip gaf hij geregeld lezingen.

In 1918 was Kalma een poos verloofd met de twintig jaar oudere schrijfster Simke Kloosterman. Die verloving raakte uit, maar de vriendschap bleef. Kalma was ook zeer nauw bevriend met de in 1918 aan de Spaanse griep overleden schrijver Marten Baersma (pseudoniem M.H. Bottema). In De ljochte kimen  (1925) gaf hij het verzamelde werk van hem uit. Zijn eigen belangrijkste gedichten publiceerde hij in drie bundels: Dage  (1927), Sangen  (1936) en De lytse mienskip  (1944).

Het werk voor het Fries had Kalma zo zeer in de macht, dat hij zich daar jarenlang geheel aan wijdde. In 1922 gaf hij met anderen de aanzet tot de oprichting van De Fryske Bibleteek. Op onderwijskundig gebied was hij actief als voorzitter en docent aan de Algemiene Fryske Underrjocht Kommisje. Al vroeg legde Kalma contacten met de Friezen in Duitsland. Als vertegenwoordiger van Westerlauwers Fryslân  nam hij in 1930 zitting in de toen opgerichte Fryske Rie.

Mede door zijn overheersend karakter verloor Kalma als leider aanzien in de loop van de jaren twintig. De Mienskip werd door beginselwijzigingen en persoonlijke conflicten steeds kleiner. In 1927 zocht hij andere wegen: hij schreef zich in als student Engels en stelde zich (in 1929) beschikbaar voor een zetel in de Tweede Kamer als kandidaat van de Christelijk-Democratische Unie. Dat politiek avontuur liep op niets uit, maar zijn studie ging hem goed af. In 1931 haalde hij zijn doctoraal en in datzelfde jaar al werd hij leraar in Eindhoven. In de jaren dertig schreef hij twee lijvige studies: Skiednis fan Fryslân  (1935), en zijn dissertatie Gysbert Japiks. In stúdzje yn dichterskip  (1938). Kalma was de eerste die op een Friestalig proefschrift promoveerde. Zijn promotor was de Groninger hoogleraar dr. J.M.N. Kapteyn, door wie Kalma betrokken werd in het werk van Saxo-Frisia. Toen in de oorlog door die stichting een Fryske Ried werd opgericht, was Kalma een van de leden. Hij werkte mee aan pro-Duitse bladen en accepteerde stipendia van het Departement van Volksvoorlichting en Kunsten. Toen de bezetter  hem de Harmen Sytstra-prijs toekende, nam hij die eerst aan, maar toen hem duidelijk werd dat zoiets hem na de oorlog wel eens kwalijk kon worden genomen, stuurde hij de prijs terug.

In de oorlog zegde Kalma zijn baan in Eindhoven op en ging bij Wike Zylstra in Rottevalle wonen. Na 1945 raakte Kalma vanwege zijn houding in de oorlog min of meer in een isolement. Toch liet hij de moed nooit zakken. Met een kleine groep medestanders richtte hij opnieuw De Jongfryske Mienskip op en toen bleek, dat er op het niet naleven van het hem opgelegde publicatieverbod geen sancties volgden, gaf hij zijn werk al weer vrij snel onder eigen naam uit. In de tijd in Rottevalle wijdde Kalma zich aan de vertaling van het volledige werk van Shakespeare. Toen hij op 18 oktober 1953 overleed als gevolg van een aanrijding, had hij dat werk op een paar pagina’s na af. Na zijn dood werd het in acht lijvige delen gepubliceerd.

Keuze uit het werk
De Jongfryske biweging, 1915.
Fryslân en de wrâld, 1916.
Ut stiltme en stoarm (sonnetten), 1918.
Kening Aldgillis (toaniel), 1920.
Noarderljocht (toaniel), 1921.
Jongfryske sangen, 1922.
Dage. Fersen I, 1927.
Skiednis fen Fryslân, 1935. (3e pr., 1965.)
Sangen. Fersen II, 1936.
Gysbert Japiks. In stúdzje yn dichterskip, (proefschrift), 1938.
De lytse mienskip. Fersen fen oantinken, 1944. (2e pr., 1954.)
Keningen fan Fryslân (toneel), 1949-1951.
Fokke Hoara (toneel), 1952.
Shakespeare's wurk (oersettings) Diel I-VIII, 1956-1976.
Samle fersen, 1996.

© Tresoar, 13 maart 2000