De lêste bydrage yn it dossier Befrijing yn de Fryske literatuer, troch Wilken Engelbrecht fan de Palacký University yn Tsjechië. 

Inleiding
Friesland en Tsjechië liggen een flink eind van elkaar in verschillende delen van Europa. Beide gebieden werden tijdens de Tweede Wereldoorlog door Nazi-Duitsland bezet. In beide was er actief verzet, er waren evengoed actieve collaborateurs en de meerderheid van de bevolking trachtte in beide gevallen gewoon te overleven. Tsjechië werd op 15 maart 1939 bezet en veranderd in wat cynisch het Protektorat Böhmen und Mähren werd genoemd. Protectoraten had je destijds in koloniale gebieden, de term gaf dus precies aan wat de Duitsers met Tsjechië van plan waren. Toch waren er redelijk wat meelopers.

Nazi-Duitsland had de Tsjechische machinebouwindustrie nodig – in 1941 werd een derde van de Duitse tanks, een kwart van de vrachtwagens en 40 procent van de machinegeweren in het Protectoraat geproduceerd. De werkeloosheid zakte en de lonen van de arbeiders stegen. De Tsjechische intellectuelen werden echter als potentiële vijanden van het regime beschouwd. De pers werd vrij snel gelijkgeschakeld en werd door de bezetter gebruikt om de Tsjechische bevolking ‘herop te voeden’, overigens met niet bijster veel succes. Er ontstond al snel een actieve illegale pers.

Friesland was een van de eerste provincies in Nederland die werden bezet: op 11 mei 1940, één dag na de inval, stonden de Duitse tanks al aan de Friese kant van de Afsluitdijk. In de eerste jaren beschouwde met Nazi-bewind de Friezen als een ‘Oergermaans volk’ dat ze serieus voor zich trachtten te winnen. Oprichting van organisaties als de Stichting Saxo-Frisia moesten het Friese zelfbewustzijn sterken en hen tegelijkertijd gunstig stemmen jegens de bezetter. Gedeeltelijk lukte dat, zo liet de grote dichter en voorman van de Friese beweging Douwe Kalma zich strikken (al kwam hij na 1943 gedeeltelijk tot inkeer).

Beide volkeren behoorden tot de laatste in Europa die werden bevrijd van de Duitse bezetter. Op 10 maart 1945 overschreden de Sovjet-troepen de Tsjechische grens bij Ostrava, in het westen kwamen Amerikaanse troepen op 18 april bij Aš de vooroorlogse grens over. De Duitse troepen boden nog flink tegenstand, met name tegen de Sovjets. Met een troepental van een en een kwart miljoen soldaten, veelal veteranen uit de oorlog in Rusland, waren zij een niet te onderschatten tegenstander. Op 1 mei kwam de bevolking van Praag in opstand. Hoewel Duitsland officieel op 8 mei al gecapituleerd was, werd er tot 11 mei, toen Praag en omgeving werden bevrijd, nog gevochten. De laatste Duitse soldaten werden pas op 15 mei 1945 ontwapend en ongeveer 860.000 Duitse en Hongaarse soldaten werden krijgsgevangen gemaakt. In de twee maanden gevechten op Tsjechisch grondgebied sneuvelden nog ongeveer 140.000 geallieerde en zo’n 120.000 Duitse soldaten (Šajtar 2015).

In Friesland begon de bevrijding op 12 april 1945, Leeuwarden was op 15 april bevrijd, als laatste plaats werd op 18 april Makkum bevrijd. Maar de Waddeneilanden moesten wachten, Schier­monnikoog werd als allerlaatste Nederlandse gemeente pas op 11 juni 1945 bevrijd, toen het laatste Duitse garnizoen van 730 man zich overgaf.

De culturele scène
Aan de Friese kant speelde het nationale probleem duidelijk een rol. De bezetter maakte evenals in Vlaanderen dankbaar misbruik van de situatie door onder het mom van ondersteuning van de minderheidscultuur de eigen politieke plannen door te drijven. Het moeilijkste was dit voor het Naziregime in Tsjechië omdat ook de regering van het Protectoraat feitelijk een tegenstander van het Nazibewind was, met uitzondering van generaal Emanuel Moravec (1893-1945) die in 1938 uit woede over het feit dat Tsjechoslowakije niet had getracht zich te verdedigen tegen het Duitse Rijk een vurig propagandist van samenwerking met datzelfde rijk werd. Hier ging het de Duitsers erom de Tsjechen althans de schijn van zelfstandigheid te laten en literatuur als een uitlaatklep voor nationale gevoelens te gebruiken. Opmerkelijk is dat vooroorlogse anti-democratische krachten die nog in 1938 na de afsplitsing van het Sudetengebied hun gram over het door hen vermaledijde parlementaire systeem hadden gespuwd, er tijdens de Duitse bezetting vaak het zwijgen toe deden. Vernietiging van de democratie (liefst met inbegrip van de Joden...) was één ding, maar omdat men heel goed wist hoe de Nazi’s in het naburige Polen huis hielden en de massale sluiting van alle Tsjechische instellingen van hoger onderwijs per 17 november 1939 als wraakneming voor massale studentenprotesten tegen de bezetting deden vermoeden dat de Naziplannen met Tsjechië op termijn niet zo heel veel verschilden van hun optreden tegen Polen, vonden zelfs deze inheemse fascisten het niet wenselijk om zich teveel met de bezetter en encanailleren. Een goed voorbeeld was de ‘bard van de Tsjechische fascisten’ Max B. Stýblo (1892-1972) die in het interbellum verzen publiceerde, die nog het best als ‘haatzaaiend’ kunnen worden betiteld, zoals het gedicht Republika (De Republiek) uit zijn bundel Krůpěje (1927, Druppels), waarvan we hier het laatste couplet citeren dat een goed idee van zijn ‘poëzie’ geeft (Piorecký 2017: 7): [1]

Pro lásku boží, jež srdcem nám zmítá,
pro lásku k Vlasti a drahému lidu,
pro svaty prapor náš, sestry a bratři,
krev naše nadšena Vlasti nechť patři!
Nad noci zmatků již den novy svita – – –
Ven z rudé komuny! Ven z drapů Židů!            

Om de liefde gods, die het hart ons doorwondt,
om liefde tot Vaderland en volksgenoten,
om ons heil’ge vaandel, zusters en broeders,
dat ons bloed enthousiast het Vaderland hoede!
Na de verwarde nacht komt de morgenstond ---
Weg uit de rode commune! Weg uit der Joden poten!          

Toen ‘de morgenstond’ werkelijk was aangebroken, achtte Stýblo, die het in zich had om de Tsjechische Max Blokzijl te worden, het beter om zich gedeisd te houden. Direct na de bevrijding begon hij op te treden op bijeenkomsten van de Svaz protifašistickýchj bojovníků (Bond van Antifascistische Strijders) en de communistische Revoluční odborové hnutí (Revolutionaire Vakbond), en schreef zelfs een gedicht ter verheerlijking van de ‘generalissimus J.V. Stalin’. Door over te lopen naar de voorheen zo verafschuwde ‘rode commune’ ontliep hij veroordeling wegens zijn vroegere fascistische ideeën (Färber 2008).

In alle gebieden die het Naziregime in eerste instantie trachtte te paaien, werden speciale culturele prijzen ingesteld. Meestal werden deze naar het voorbeeld van Nazi-Duitsland vernoemd naar belangrijke personen, liefst erkende grootheden uit het verleden. Om de schijn van ‘onafhankelijke’ cultuur te handhaven, werden universiteiten of andere culturele instellingen naar voren geschoven. Zo werd de Rembrandt-Preis, bestemd voor ‘das niederländisch-niederdeutsche Volkstum’, officieel ingesteld door de universiteit van Hamburg en o.a. in 1942 toegekend aan Felix Timmermans, ontegenzeggelijk internationaal de bekendste Vlaamse schrijver, en in 1943 aan de oudgermanist Jan de Vries, ook al een internationale grootheid. In dit kader moet de belangrijkste nationaal-socialistische Friese prijs, de Harmen Sytstra­priis, worden gezien die werd toegekend aan Reinder Brolsma (1941), Rintje Pieter Sybesma (1942) en Douwe Kalma (1943). Alleen de tweede van hen was een meeloper met de Nieuwe Orde. Kalma had de tegenwoordigheid van geest om de prijs terug te sturen en Brolsma voelde zich vereerd. In Tsjechië ging het om de Národní cena za literaturu (Nationale prijs voor literatuur) die eenmaal per jaar werd uitgereikt, meestal aan twee à drie schrijvers. Opmerkelijk is dat de Sudetenduitse prijzen uit dezelfde periode – de ‘Adalbert-Stifter-Preis’ en de ‘Peter-Parler-Preis’ naar bekende literatoren uit het verleden waren vernoemd, maar dat deze belangrijkste prijs van het Protectoraat een strikt neutrale benaming had gekregen. De belangrijkste reden hiervoor was dat de Tsjechische bevolking elke herdenking van belangrijke componisten en schrijvers gebruikte om haar afkeer van de bezetter te tonen. De overbrenging van de kist van de bekende romantische Tsjechische dichter Karel H. Mácha (1810-1836) naar het erekerkhof op de Praagse Vyšehradheuvel op 6 mei, de 55e sterfdag van Bedřich Smetana op 12 mei en de viering van de feestdag van de hl. Jan Nepomuk op 15 mei 1939 werden grootscheepse manifestaties van nationale eenheid. En dat wilde de beztter voorkomen (Kolouch 2012: 3).

Wilken 1

Het boulevardblad Pestrý týden ter gelegenheid van de uitreiking van kunstprijzen op 28 september 1941

In de eerste jaren 1939-1941 werd de prijs aan bekende schrijvers en dichters toegekend: in 1939 de dichter Jaroslav Kolman Cassius (1883-1951), de katholieke dichter Jan Zahradníček (1905-1960), de prozaschrijver  Jan V. Sedlák (1889-1941), en de prozaschrijfster Božena Mrštíková (1876-1956), in 1940 de dichter Vilém Závada (19025-1982), de schrijver Metoděj Jahn (1865-1942) en de schrijver en criticus Miroslav Rutte (1889-1954), in 1941 waren de prozaschrijver en essayist Jaromír John (1882-1954), de katholieke schrijver Jan Čep (1902-1974) en de literatuurhistoricus Albert Pražák (1880-1956) aan de beurt. Geen van hen kan als een fellow traveller van de ‘Nieuwe Orde’ worden bestempeld en niemand van hen werd na de bevrijding veroordeeld. Pražák was in mei 1945 zelfs voorzitter van de Tsjechische Nationale Raad die namens de illegaliteit de macht overnam, zolang er na de bevrijding nog geen regulier gekozen parlement was (Jürgens & Kopáč 2015: 39-41).

In 1942 werd door de Tsjechische illegaliteit in opdracht van de Londense Tsjecho­slowaakse regering in ballingschap een aanslag op ‘Reichsprotektor’ Reinhard Heydrich gepleegd, aan de gevolgen waarvan deze overleed. De Duitse bezetter reageerde scherp, omdat men nu besefte dat het onmogelijk was om de Tsjechen met zachte hand te ‘bekeren’ tot de Nieuwe Orde. Er kwam een scherpe censuur en de al tamelijk geringe autonomie van de regering van het Protectoraat werd sterk ingeperkt. In 1942 was de populaire schrijver František Kožík (1909-1997) laureaat vanwege zijn propagandistische sketches voor het Protectoraat. Maar ook de katholieke dichter František Hrubín (1910-1971), de illustrator en schrijver Václav Fiala (1896-1980) en de romanschrijver Karel Dvořáček (1911-1945) kregen de prijs dat jaar. De laatste stierf in concentratiekamp Zwickau, nadat hij wegens zijn activiteiten in de verzetsgroep Obrana národa (Verdediging van het Volk) door de Gestapo opgepakt was. In 1943 en 1944 werd de prijs niet meer toegedeeld (Jürgens & Kopáč 2015: 9, 41).

Actieve collaboratie
Als sterkste vorm van collaboratie kan het ophemelen van de bezetter worden beschouwd. Het bekendste Friese voorbeeld is waarschijnlijk Rintje Pieter Sybesma, wiens gedicht De Falskermers uit 1940 later in 1965 werd geparodieerd door Douwe Tamminga (Winters 2003: 8, 9)

De Falskermers (R.P. Sybesma)

Eala! wy, falskermjagers
En wiffe wapendragers,
Drystmoedich, drok en jong.
Yn daverjende motoaren
Omheech, it fierst nei foaren
Ré ta de liepe sprong.

De trek fen loftsoldaten
Giet, sinnekameraten,
Ier foar de dage oan.
Us sidderje de skermen!
In skaed fen brune swermen
Lûkt oer de frisse moarn.

Wy kinne d’ ein bistappe.
De wenstige étappe,
Dy twisken jeugd en jeld,
For ús in ‘blitzaufnahme’
In heltedream ef drama.
Gewelt stiet tsjin gewelt.

In liet giet oer de wolken,
Oer séën, lânnen, folken.
In stoarm raest him to’n ein.
Oer ginnerale stêven
En oer jongfeinte-grêven
Haww’ wy fiktoarje flein.

De Falskermer (D.A. Tamminga frij nei R.P. Sybesma)

Ik, wiffe falskermjager,
lang yn kaserne en lager
opfokt ta oarlochsfé,
hjir stean ik efter de oaren
en moat sadaelk nei foaren
dryst en ta springen ré.

Ik wit my ûnder ‘t fleanen
gjin earn tusken de earnen,
wiet fielt it yn myn krús.
Strak brek ik fêst de poaten,
se sjitte my oan moaten
en ik kom noait wer thús.

De apocalyps fan Dürer
brekt los en foar de Führer
bin ik mar sieddelsied.
Mem, mem, ik wol net stjerre,
net yn it grêf bidjerre
dêr’t hy ús hinneliedt!

Hwerom gean net de folken
ien wei op as de wolken...?
Dêr blaft it hounsk bifel.
Ik flok dy hiele bende
en fal nei ‘t ûnbikende
as manna út de hel.

             


In het Tsjechische behoorden de echte collaborateurs, anders dan in Friesland, niet direct tot de beste dichters – vandaar dat zij evenmin figureerden onder de laureaten, al kan daar het stilzwijgend protest van de regering van het Protectoraat tegen de bezetter ook hebben meegespeeld. Een van de bekendste literaire collaborateurs is wel de arbeidersdichter Jindra Cink [2] die in 1943 een bundeltje Jdeme s Říší. Sbírka veršů ze života pracujícího lidu včera a dnes (We gaan met het Reich. Bundel verzen uit het leven van het werkende volk gisteren en heden) publiceerde die inhoudelijk en qua omvang vergelijkbaar is met de bundel De swetten útlein van Sybesma. De bundel eindigt met het titelgedicht (Cink, 1943: 34-35):   

My, pracující lidé - jdeme všichni s Říší.
A vděčíme za to: že nám dala chléb a práci.
Vděčíme Říši za to: že nás zachránila
od té hrozné katastrofy!
Vděčíme Říši za to: že můžeme svou prací
pomáhat
na výstavbě Nového světa.
A prosíme Všemohoucího,
aby nám velkého Vůdce – Adolfa Hitlera
zachoval, aby mu dal sílu a požehnání.
A s vděčností o věrnosti
posíláme Vůdci srdečné a upřímné pozdravy.         

Wij, werkende mensen – gaan allen met het Reich.
En we zijn dankbaar: dat het ons brood en werk gaf.
We zijn het Reich dankbaar: dat het ons redde
van die vreselijke catastrofe!
We zijn het Reich dankbaar: dat we met ons werk kunnen
helpen
met de bouw van de Nieuwe Wereld.
En we smeken de Almachtige,
dat hij ons de grote Führer – Adolf Hitler
beware, dat hij hem kracht en zegen geeft.
En met dankbaarheid voor de trouw
zenden wij de Führer hartelijke en oprechte groeten.          

 

Dezelfde ‘dichter’ maakt ook antisemitische gedichten, waarin hij trachtte de nazipropaganda nog te overtreffen. Ook dit soort gedichten kenden hun parafrase, al was die op het eerste gezicht niet altijd herkenbaar. Zo stuurde de journalist Václav Sábl (1906-1983) in juni 1942 het volgende gedicht naar Večerní Českého slova (Avondblad van het Tsjechische Woord) dat op het oog afkomstig was van de ‘arbeider’ Josef Láznička. Het werd op 15 juni afgedrukt (Janáček et al. 2015: 993):

Přísaha českého dělníka

Vám, Ochránce lidu dělného,
vráhové když v osudovém ráni,
dětí Vašich drobných nelitujíce
i choti, zlou zasadili ránu,
žen Českých dělníků se srdce zachvěla,
všechno se otřáslo v nás
až slzy z očí vytryskly:
Náš Ochránce – chvěl se nám hlas –
Čas nový, který’s pro nás vytvářel,
bude nám ztracen, ztracen navždy snad?

Splatit bychom rádi chtěli svůj Vám dluh
krví vlastní. Je marno vše. Rek velký pad.
Nezapomenem však dobrodince rodin svých!
Nezapomenem! Český dělník dlaň k přísaze zdvih!
Přísaháme Vůdci, Říši i mrtvému Zastánci,
že nového řádu budem věrní ochránci!

                                                                                  

Eed van een Tsjechische arbeider

Toen aan U, Protector van het werkersvolk,
moordenaars op een fatale morgen,
zonder meelij met Uw kleine kinderen
en ega, een kwade steek toebrachten,
beefde ‘t hart der Tsjechische werkersvrouwen,
alles sidderde in ons
tot de tranen uit de ogen spoten:
Onze Protector – zo trilde onze stem –
De Nieuwe Tijd, die ge voor ons schiept,
zal voor ons verloren zijn, voor immer verloren?

Betalen willen wij graag onze schuld aan U
met eigen bloed. Vergeefs. De grote man viel.
Laten wij de weldoener der families niet vergeten!
Niet vergeten! De Tsjechische werker heft de hand voor de eed!
Wij zweren voor Führer, Reich en de dode Protector,
dat wij van de nieuwe orde trouwe hoeders zijn!

Wilken 2

Het als pro-nazi gemaskeerde gedicht met de belofte dat er wraak op de Nazi’s zal worden genomen.

Dit gedicht dat op het oog de dood van Heydrich betreurde, bleek plotseling buitengewoon populair bij de Tsjechen. De oplage van 360.000 stuks was in een mum uitverkocht. Dit was in de ogen van de autoriteiten begrijpelijkerwijs verdacht. Bij nader inzien bleken de eerste woorden een acrostichon:

Vám, vrahové děti i žen, všechno, až náš čas bude, splatit krví nezapomenem. Nezapomenem! Přísáháme.

(Door U, moordenaars van kinderen en vrouwen, zullen we niet vergeten alles, als onze tijd komt, te laten betalen met bloed. Laten wij niet vergeten! Dat zweren wij.)

Hoofdredacteur Emanuel Vajtauer (1892-na 1945) werd wegens de publicatie van dit gedicht ont­slagen en vier medewerkers van uitgeverij Melantrich, die het avondblad uitgaf, werden geëxe­cuteerd toen bleek dat zij van het acrostichon wisten. Het blad zelf kreeg een verschijningsverbod van een maand.

Verzet
Zowel in Friesland als in Tsjechië was het verzet actief. In Tsjechië was Obrana národa vooral in de jaren 1939 tot eind 1941 actief. Daarna lukt het de Duitse bezetter om dit ondergrondse leger grotendeels op te rollen. Resterende groepjes herformeerden zich in 1943, maar de laatste groepen werden door de Duitsers in juni 1944 opgerold. In Friesland was de situatie juist omgekeerd en werd het verzet vanaf 1942 steeds efficiënter. Het schrijnendste, maar ook het indrukwekkendste zijn de gedichten gemaakt door dichters-verzetsstrijders vlak voor hun executie. Als voorbeeld geven we hier het gedicht Langstme van verzetsstrijder en CHU-politicus Willem Santema (1902-1944), gefusilleerd in concentratiekamp Vught op 10 augustus 1944, en Hlas domova (De stem van thuis) van zijn generatiegenoot, de sociaaldemocraat Karel Vokáč (1903-1944), opgehangen in de Praagse Gestapo-gevangenis Pankráč op 12 juli 1944.

Langstme (Schenk 1945: 49))

De sinne skynt,
It swirk sa klear,
It fûgelt sjongt
Fen God de Hear.
De Maitiid ropt!
Hird streamt myn bloed:
Myn langst is great,
Mar lyts myn moed...

Myn siele skreaut
Nei loft en ljocht,
De sel is ing,
To lyst for nocht.
Ho lang noch God,
Liť Jo det ta?
Hwennear wer frij?
Ik langje sa!

Jow my de krêft
Om rjucht to gean
En om Yens rie
Hjir to forstean.
Jo komme fêst,
Mar op Jou tiid
Dat jowt my moed,
En makket bliid!

                                                          

Hlas domova (Donát & Nebeský 1975: 6)

Domov mě volá v skřivánčí písni,
vánků se zeptá, ach co vím?
I já tě volám, domove sladký,
proťatá ústa mřížovím.

Ty znáš mou touhu domove krásný
znám já tvou bolest, ty mou též.
Ze stesku nová touha se rodí,
i ty ji k nebi vyneseš.

Volám tě volám domove sladký,
proťatá ústa mřížovím.
Slyším tě slyším domove krásný
protože navždy o tobě sním.

De stem van thuis

In het lied der leeuwerik roept mijn thuis mij,
het vraagt, ach weet ik wat? aan de bries.
Ook ik roep je, zoet thuis van mij,
de mond gedrukt tegen de tralies.

Mijn verlangen ken je, mooi thuis van mij
ik ken jouw smart, jij de mijne evenzeer.
De heimwee baart nieuw verlangen erbij,
en jij draagt die ten hemel weer.

Ik roep je ik roep, mooi thuis van mij,
de mond gedrukt tegen de tralies.
Ik hoor je ik hoor, mooi thuis van mij
daar ik je steeds in mijn droom verlies.

                               

 

Wilken 3 

Vokáčs gedicht Hlas domova afgedrukt in het eerste nummer van Hlas domova

Vokáčs gedicht maakte zoveel indruk dat de democratische Tsjechoslowaken die na de commu­nistische machtsovername in 1948 hun land moesten ontvluchten, de titel van het gedicht als titel van hun tijdschrift namen. Het werd op de eerste pagina van het eerste nummer afgedrukt (afbeelding).

Bevrijding
Na de bevrijding moest Friesland met zichzelf in het reine komen. Fedde Schurer, overtuigd christen, pacifist en politicus van de progressief-christelijke CDU, die in de oorlog als dichter maar ook als helper van onderduikers actief was, verwoordde zijn gevoelens in het Gebet by de bifrijing (Schurer 1949: 25):

Hear, hâld ús ús heitelân Jins oantlit ta;
Wol oer ús hjoed en ore ús takomst weitsje,
Dat wy to ninter stoun forslave reitsje
Oan ’t blyn gewelt, as dy ’t ús jage ha.

Hear, jow ús folk Jins seine, dat it nea
Yn oermoed en yn greatskens oer de mjitte
In minske op ’t heechst forearje en Jo forjitte,
Op ’t spoar fan haet, dat delbûcht nei de dea. 

Heare, sparje ús lân, sa lyts as it dêr leit;
‘t Mei foar de wrâld wol earm en warleas lykje
Mar lit gjin oarmans guod syn hân forrykje,
En hâld syn gong by leafde en minkslikheit.

Hear, seinje Jo ús folk en meitsje it great
Mei frije minsken, nei Jins byltnis stalle;
Lit mei dy frijheit Fryslân stean en falle,
En bliuw ús nei yn alle need en dead. 

 

Frieslands situatie en de houding van veel belangrijke schrijvers tijdens de bezetting riepen vragen op. De meesten kwamen er, ook in vergelijking met de rest van Nederland, met vrij lichte straffen van af. Maar de strijd voor de Friese taal bleef, omdat ook schrijvers met een verzetsverleden als Fedde Schurer en Freark Dam zich voor de Friese zaak inzetten en deze niet als de Vlaamse taalstrijd in een uiterst rechts hoekje terechtkwam. Hoe lag dit in Tsjechië?

Tsjechië was het enige land dat later in het zogenaamde Oostblok terechtkwam dat deels ook door de Amerikanen werd bevrijd. Bovendien was het ook het enige land in de wijde omgeving dat vanaf de Eerste Wereldoorlog tot aan de Duitse bezetting een functionerend parlementair democratisch stelsel had gehad. De meeste Tsjechen gingen ervan uit dat hun land weer een volledig soevereine staat zou zijn zoals voor de oorlog, zij het dat de meerderheid vond dat er voor Duitsers geen plaats meer was. Nu had ongeveer tweederde van de Duitstalige bevolking van Tsjechië volmondig inge­stemd met ‘heim ins Reich’, maar evengoed was bijna één miljoen Duitstaligen het niet eens met de afsplitsing van de Sudetenduitse gebieden die op 30 september 1938 door Tsjechoslowakije noodgedwongen aan het Derde Rijk waren afgestaan. De sociaaldemocratische krant Volksfreund had op 1 oktober 1938 gekopt: Nicht die Tschechoslowakei ist feige und ehrlos. Annahme des Diktats unter Protest an die Welt. Wider Recht und Vertrag verlassen, hatte die Tschechoslowakei keine Wahl. Maar na 7 jaar vernedering, waarbij vooral het laatste oorlogsjaar er diep in had gehakt, was nuance wel het laatste dat bij de pas bevrijde Tsjechische bevolking te zoeken was. Álle Duitsers moesten verdwijnen en liefst zo snel mogelijk. “Heim ins Reich” schreeuwden de begeleiders van de transporten tegen de Duitsers die zij ‘afvoerden’ richting Duitsland en Oostenrijk. Van drie-en-een-half miljoen Duitstaligen bleven er uiteindelijk ongeveer 204.000 over – tot eind 1949 zonder enige burgerrechten. Soms werden pas uit Naziconcentratiekampen bevrijde Duitstaligen na thuiskomst direct weer op transport gezet, “heim ins Reich” (Seibt 1996: 336; Staněk 1991: 246).

Het Sudetengebied werd vervolgens opnieuw bevolkt door veelal landloze Tsjechen uit de binnenlanden die zich in de dorpen en steden die een overduidelijk Duits karakter hadden, vaak niet thuisvoelden en ook met veel te weinig waren om de oorspronkelijke bevolking echt te vervangen. Sinds 1989 is de verwerking van deze massale wraak aan de Tsjechische kant begonnen, waarbij het vaak de jongere generatie die zelf part noch deel aan deze ‘transfer’ had, het onderzoek uitvoert. Deze verwerking krijgt ook literaire vorm. Een voorbeeld zijn de verzen van de jonge dichter Ondřej Hložek (geb. 1986) uit Opava (voorheen Troppau) in Tsjechisch Silezië, van wie we hier uit zijn bundel Řez kamenem (2019, Snee met een steen) het gedicht Johannisbrunn citeren (Hložek 2019):

Johannisbrunn

Vylámaný asfalt,
dráty slunka lehce se
procpou vyvrženou střechou.

Už umřeli:
masér s knírkem a cigaretovou špičkou,
doktor s mokrou pleší, co ordinuje přejídání
a rezavé hřebíky v jablku na chudokrevnost.

Kov rozměkl a ztratil se
pod rukama.
Jen deště tu cosi vytváří;
na porážku kape.
Dřevo šlape v kilech mlází,
ticho uřvané.

Johannisbrunn [3]

Gebarsten asfalt,
zonnenstralen dringen licht
door het vervallen dak.

Reeds stierven:
de masseur met zijn snor en de sigarettenpeuk,
de dokter met zijn natte kale plek, die eten voorschrijft
en roestige spijkers in een appel tegen bloedarmoe.

Metaal werd zacht en verdween
onder de handen.
Slechts de regen vormt hier iets;
druipt om te verslaan.
Het hout vertrapt in kilo’s struikgewas
de verscheurde stilte. 

 

Vanuit een Tsjechische optiek betekende de bevrijding het einde van een zeven jaar durende nachtmerrie en de reacties waren navenant. Het meest optimistisch waren de progressieven die de bevrijding door de Sovjets oprecht toejuichden. Een van de meest lyrische van hen was de antimilitaristische anarchist Fráňa Šrámek (1877-1952). Šrámek weigerde gedurende de hele oorlog uit protest tegen de bezetting om zijn huis te verlaten en gaf direct na de bevrijding de bundel Rány, růže (1945, Slagen, rozen) uit, waarin hij ook op de bevrijding reageerde. Hieruit het volgende gedicht geschreven vlak na de bevrijding (Šrámek 1946: 45-46):

České jaro 1945

Když tolikrát jsi řekl ne,
proč neříci zas jednou ano?
Když ruka se ti utrhne
a předáš-li se, nevídáno!
Přej nám jednou, ať se máme,
ať nám štěstí hlava drnčí,
až se za ni popadáme:
lidi, co se nestalo,
naše české trpké trnčí
révu rodit počalo.

Pochválen buď, tentokráte
z úst ti basem znělo: da,
přáli jste si, tu to máte,
co se z toho vyklubá –

Pochválen buď, nám se líbí,
žes nám kápl do záliby
a řekl to pa ruski:
co kozáčkem ruským počlo
v českou polku přejde skočmo,
a chuť ať si zajít dá,
kdo by nám lez na lusky. 

Tsjechische lente 1945

Als je al zo vaak zei “nee”,
waarom niet eens “ja” gezegd?
Als je hand zich van je losrukt
en je je overgeeft, ongelooflijk!
Wens ons slechts dit, een goed gevoel,
dat ons hoofd suizebolt van geluk,
dat we erdoor naar adem snakken:
mensen, wat er niet gebeurde,
onze bittere Tsjechische doornige
wijnstok begon vrucht te dragen.

Geprezen zij, voor deze keer
uit je mond klonk een gedicht: ja,
u wenste het, hier hebt u het,
wat zich eruit ontpopt –

Geprezen zij, we houden ervan,
dat je smoor op ons bent geworden
en hij zei het pa ruski:
wat met de Russische kozak aanving
en nu in een Tsjechische polka overging,
en laat hen maar een blokje omgaan,
wie zou onze meiden nemen. 

 

Nu was Fráňa Šrámek na de bevrijding een geprivilegeerde dichter. In 1946 werd hij tot ‘nationaal dichter’ benoemd, een titel die in juni 1945 naar Sovjet-voorbeeld was ingesteld. Christelijke dichters, en met name de groep katholieke en anticommunistische dichters keken met gemengde gevoelens naar de grote rol van de communisten in de bevrijding. De reeds eerder genoemde Jan Zahradníček, nota bene in zomer 1945 pas verloofd, deed niet mee met de vreugde over de bevrijding, maar zag aan de horizon een nieuw totalitair systeem opdoemen. Hoewel hij net gecollaboreerd had, trachtten verschillende communistische schrijvers hem in de pers zwart te maken. Anderen verdedigden hem juist. Uiteindelijk onderzocht de Staatsveiligheidsdienst de beschuldigingen in 1947 dat hij in 1939 gevierd zou zijn als een schrijver die enthousiast was over de ‘Nieuwe Orde’, maar zette wegens gebrek aan bewijs het onderzoek stop (Vojvodík & Wiendl 2018: 399). De dichtbundels La Saletta uit 1947 en Rouška Veroničina (De zweetdoek van Veronca), uitgegeven in 1949 met imprint 1947, waren zijn antwoord op het nadersluipende nieuwe totalitaire systeem. Hier geven we het slotgedicht van de tweede bundel, geschreven in 1946. Alleen al de titel Báseň k prvnímu květnu (Gedicht bij de eerste mei) is een duidelijk standpunt, omdat het feest in de officiële terminologie 1. Máj heette (Zahradníček 1992: 215-216):

Báseň k prvnímu květnu

Nesmírný plakát
přelepil oblohu zachmuřenou
Nebyla to korouhev Křížových dnů
Neprosilo se

(...)

Konečně sami
mohli se teď obrátit zády k vesmíru
vytýkajíce mu spoustu nepřesností
Troufali si
aby dokázali, jak se má jít na to
když se chce stvořit kus pořádného světa
kde by to klapalo
kde jeden jako druhý
neměl by už komu závidět
ani koho napodobovat

(...)

Měla to být slavnost
ale když jsem poslouchal zdálky
jejich pochodování a jejich hudby
slyšel jsem jen ten chechot a dutý lomoz bubnů
podtrhoval strašlivou osamělost zástupů
nad nimiž se smrákalo
Neviděli a neslyšeli
šilený podvod se tu dokonával
plechovým hlasem předříkávačů katastrof
Tak šli a ztráceli se
v zatáčce dějin
které se o ně už nestaraly –

(…)

Za ně se modlím

                                                                                       

Gedicht bij de eerste mei

Een genadeloos plakkaat
was geplakt over de versomberde etalage
Het was geen vaandel van de Kruisdagen
Het smeekte niet

(...)

Eindelijk alleen
konden zij nu het heelal de rug toekeren
het een hoop onnauwkeurigheden verwijtend
Ze waagden het
om te bewijzen, hoe je tewerk moet gaan
als je een stuk behoorlijke wereld wilt scheppen
waar alles fungeert
waar de een en de ander
niemand meer hoeft te benijden
noch ook te imiteren

(...)

Het moest een feest zijn
maar toen ik van een afstand luisterde
naar hun gemarcheer en muziek
hoorde ik slechts dat gegiechel en de doffe dreun der trommels
onderstreepte de vreselijke eenzaamheid der menigten
boven hen trok het zwerk samen
Ze zagen en hoorden het niet
de waanzinnige misleiding werd hier voltooid
door de blikken stem van de voorzeggers van catastrofes
Toen gingen ze en verloren zich
in de bocht van de geschiedenis
die al niet meer om hen bekommerd was –

(...)

Voor hen bid ik

 

Het gedicht zit vol verwijzingen naar beelden uit de kerkelijke passie en naar beelden uit het bijbelboek Openbaringen. Na de communistische machtsovername in februari 1948 begon het regime in 1951 een grootscheepse actie tegen katholieke intellectuelen die op beschuldiging van deelname aan ‘de samenzwering van de Groene Internationale’ in een monsterproces veroordeeld werden (Engelbrecht 2014: 82 ). Onder de veroordeelden was ook Zahradníček die pas in 1960 in het kader van een amnestie werd vrijgelaten en kort daarna stierf aan de gevolgen van zijn gevangenschap.

Wilken 4

Jan Zahradníček als veroordeelde ‘samenzweerder’ in 1951 (Anev 2012: 33)

Ter afsluiting
In 1945 werden zowel Friesland als Tsjechië bevrijd. Beide behoorden tot de laatste gebieden in Europa die nog bezet waren – het Friese Waddeneiland Schiermonnikoog is waarschijnlijk zelfs het allerlaatste gebied, waar de Duitse troepen zich overgaven.

De vreugde om de bevrijding was in beide landen zeker oprecht. In Tsjechië werd de blijdschap echter gedempt door terechte angst om de toekomst, al leek het er eerst op dat de vooroorlogse democratie zou terugkeren. Deze gemengde gevoelens, die helaas na drie redelijk optimistische jaren bewaarheid werden, zijn in gedichten van vooral vooraanstaande christelijke dichters goed merkbaar. Pas na de val van het communisme in november 1989 kwam een volledige bevrijding – met bijna 45 jaar vertraging.

Poëzie fungeert als een spiegel van de gemoedstoestand in de maatschappij. De hierboven afgedrukte gedichten geven zo verschillende facetten van de oorlogstijd en bevrijding weer.

Noaten
[1] Alle Tsjechische vertalingen zijn van de hand van de auteur van dit artikel.
[2] Levensdata onbekend. Hij gaf zijn eerste bundel met gedichten uit de jaren 1918-1930 in 1931 uit. Na 1944 is er van hem niets meer bekend.
[3] Het Silezische dorpje was tot 1940 een bekend kuuroord. Na de verdrijving van de Duitstalige bevolking werd Jánské Koupele (de Tsjechische naam) een kuuroord voor de Revolutionaire Vakbond ROH. Na de privatisering in 1990 ging het kuuroord in 1994 failliet en begon verval. Sinds 2020 zijn er pogingen om de historisch waardevolle kuuroordgebouwen te renoveren en behouden.

Literatuur
Anev, Petr (2012). Procesy s údajnými přisluhovači Zelené internacionály. Paměť a dějiny 4, pp. 23-34.
Cink, Jindra (1943). Jdeme s Říší. Sbírka veršů ze života pracujícího lidu včera a dnes. Mladá Boleslav: Hejda a Zbroj.
Donát, V. & A. Nebeský (1975). Hlas domova 1950/1975. Sborník vydaný k příležitosti 25. výročí vydavatelské činností Hlasu domova československých novin v Melbourne, Australia. Richmond (Victoria): F. Váňa.
Engelbrecht, Wilken (2014). Streekromans en het Tsjechische ruralisme. Werkwinkel. Journal for Low Countries and South African Studies 9, nr. 1, pp. 75-90.
Färber, Vratislav (2008). Max B. Stýblo. In: (ed.) Luboš Merhaut, Lexikon české literatury. Osobnosti, díla, instituce. 4 S-Ž. Praha: Academia, pp. 407-410.
Hložek, Ondřej (2019). Řez kamenem. Praha: Trigon.
Janáček, Pavel, Volker Mohn & Tomáš Pavlíček (2015). Protektorát Čechy a Morava: expanze cenzury, plánování literatury (1939-1945). In: (eds.) Michael Wögerbauer, Petr Piša, Petr Šámal & Pavel Janáček, V obecném zájmu. Cenzura a sociální regulace literatury v moderní české kultuře 1749-2014. Praha: Academia, pp. 915-958.
(eds.) Jürgens, Zuzana & Radim Kopáč (2015). Státní cena za literaturu 1920-2015 & Státní cena za překladatelské dílo 1995-2015. Praha: Ministerstvo kultury České republiky.
Keizer, Jasper (1990). Handlangers van de vijand. Collaboratie in Friesland tijdens de jaren 1940-1945. Leeuwarden: Friese Pers Boekerij.
Kolouc, František (2012). Katolická církev v období Protektorátu – odboj a utrpení. Moderní dějiny, URL: http://www.moderni-dejiny.cz/clanek/katolicka-cirkev-v-obdobi-protektoratu-odboj-a-utrpeni/ (opgeladen 26-01-2021).
Mohn, Volker (2018). Nacistická kulturní politika v protektorátu. Koncepce, praxe a reakce české strany. Praha: Prostor.
Piorecký, Karel (2017). Poézie nenávisti (fašizující verše včera a dnes). Tvar 19, pp. 7-9.
(ed.) Schenk, Magdalena G. (z.j. = 1945). Geuzenliedboek 1940-1945. Amsterdam: Buijten & Schipperheijn.
Schurer, Fedde (1949). Vox Humana. Gedichten fan Fedde Schurer. Dokkum: Kamminga.
Seibt, Ferdinand (1996). Německo a Češi. Dějiny jednoho sousedství urpostřed Evropy. Praha: Academia.
Staněk, Tomáš (1991). Odsun Němců z Československa 1945-1947. Praha: Academia & Naše Vojsko.
Šajtar, Jan (2015). Podíl jednotlivých armád na osvobozování Československa, Reflex 6.5.2015. URL: https://www.reflex.cz/clanek/historie/63869/podil-jednotlivych-armad-na-osvobozovani-ceskoslovenska.html (opgeladen 27-01-2021).
Šrámek, Fráňa (1946). Rány, růže. Praha: Fr. Borový.
Vojvodík, Josef & Jan Wiendl (2018). Jan Zahradníček. Čtení o básníkovi z let 1930-1960. Praha: Institut pro studium literatury.
Winters, Willem (2003). Wellebrêge. De Moanne 2, no. 7, pp. 8-9.
Zahradníček, Jan (1992). Dílo II. Pod bíčem milostným, Stará země, Rouška Veroničina, La Saletta, Znamení moci, Dům Strach, Čtyři léta. Praha: Československý spisovatel.

© Wilken Engelbrecht & Tresoar/Fryske Akademy, 05-02-2021.